Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rijden - (zich voortbewegen m.b.v. een rijdier of voertuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

rijden ww. ‘zich voortbewegen m.b.v. een rijdier of voertuig’
Onl. rīdan ‘(paard)rijden’ in Her ne ride up negeinen rósse mit guden gewande ‘hij zal niet rijden op een paard met een mooi kleed’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. riden ‘zich voortbewegen (m.b.v. een paard of een vaartuig)’ in [N]u reit aiol uort harde unuerre ‘Nu reed Aiol een klein eindje verder’ [1220-40; VMNW], dat scep ... Daer her Walewein in quam gereden ‘het schip waar heer Walewijn mee kwam aanvaren’ [1300-50; MNW-R]; nnl. rijden ‘zich voortbewegen m.b.v. een voertuig’ in Rijdt ge er nu langs per fiets, of per auto [1883; iWNT].
Os. rīdan (mnd. riden); ohd. rītan (nhd. reiten); ofri. rīda (nfri. ride); oe. rīdan (ne. ride); on. ríða (nzw. rida); alle oorspr. ‘zich voortbewegen op een paard’ < pgm. *rīdan- (< ouder *reidan-).
Verwant met: Litouws riedė́ti ‘voortrollen (van een wagen)’; Oudiers -réid, riadait ‘rijden (met paard en/of wagen)’, ríad ‘rit, reis’, Gallisch rēda ‘kar’ (waaruit Latijn raeda ‘vierwielige reiswagen’), Welsh gorwydd ‘paard’ (< *wo-rēdo-, zie → paard); < pie. *reidh- ‘zich voortbewegen’ (LIV 502). Volgens Porzig (1954) is het gebruik van rijden een nieuwe ontwikkeling binnen de Germaanse en Keltische talen.
De oorspr. Germaanse betekenis van het woord is ‘zich voortbewegen op de rug van een lastdier, meestal een paard’. Hieruit zijn in de verschillende Germaanse talen diverse afgeleide betekenissen ontstaan. In het Nederlands, en onder invloed daarvan het Fries, heeft het woord via ‘met paard en wagen rijden’ de algemene betekenis ‘zich op land voortbewegen m.b.v. een vervoermiddel’ gekregen (vergelijk Duits fahren, Zweeds körå). In het Middelnederlands was ook de betekenis ‘zich voortbewegen m.b.v. een schip’ in gebruik (zie ook → reilen).
Lit.: W. Porzig (1954), Die Gliederung des indogermanischen Sprachgebiets, Heidelberg, 120

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

rijden* [zich voortbewegen in een voertuig] {riden 1220-1240} oudsaksisch, oudengels ridan, oudhoogduits ritan, oudfries rida, oudnoors ríða; buiten het germ. oudiers réidid [hij rijdt], ríad [rit], gallisch reda [wagen]. De uitdrukking rijden en omzien wil zeggen ‘ogen voor en achter hebben’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rijden ww., mnl. rîden, os. rīdan (in comp.), ohd. rītan (nhd. reiten), ofri. rīda ‘rijden, te paard rijden’, oe. rīdan ook ‘zich bewegen, schommelen’ (ne. ride), on. riða ‘heen en weer bewegen, schommelen, rijden; overwinnen’. — oiers riadait ‘rijden’, gall. lat. rēda ‘wagen’, parave-redus ‘bijpaard’ (zie: paard) van idg. wt. *reidh (IEW 861). — Zie ook: bereid, ridder en rit.

Porzig, Gliederung des idg. sprachgeb. 1954, 120 beschouwt de bet. ‘rijden’ als een nieuwe ontwikkeling van het germ. en kelt.; uit de oorspr. ‘schommelen’ zou een ‘krachtterm’ gemaakt zijn, die het oude *u̯eĝh verving. — De inval van J. Schrijnen Ts 20, 1901, 313 rijden met schrijden te verbinden als woorden zonder en met s-voorslag strandt op het feit, dat rijden nooit een h- voor zich gehad heeft.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

rijden ww., mnl. rîden “rijden (te paard of in een wagen)” en daaruit ontstane bett. = ohd. rîtan “id.” (nhd. reiten), os. rîdan (in samenst.), ofri. rîda “te paard rijden”, ags. rîdan “id., zich bewegen, schommelen” (eng. to ride), on. riða “id.”. De oorspr. bet. van idg. *reidhó was wsch. “ik beweeg mij, niet door middel van mijn eigen lichaam, maar van iemand of iets anders”, een dgl. bet. dus als russ. jědu, jězžu hebben. Daarop wijzen ook de woorden on. reið v. “het rijden te paard, ruiterschaar, wagen”, ohd. reita v. “wagen”, ags. râd v. “het rijden, varen, tocht, reis, weg” (eng. road), mnl. rēde (: stēde) m.v. “rit” en buiten ’t Germ. ier. riad- “rijden (fahren)” (rêdid “hij rijdt” = mnl. rîdet), dê-riad “bigae”, kelt.-lat. rêda “vierwielige wagen”. Ook gr. érīthos “dienaar, bode” en lett. raidît “haastig zenden” worden nog wel hierbij gebracht. Vgl. bereid, ridder, rit.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rijden ono.w., Mnl. riden, Os. rîdan + Ohd. rîtan (Mhd. rîten, Nhd. reiten), Ags. rídan (Eng. to ride), Ofri. rída, On. rída (Zw. rida, De. ride) + Oier. riadaim, Gall. rēda (= wagen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

rije (ww.) rijden; Vreugmiddelnederlands ridan <1151-1200>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2ry ww.
1. Op 'n dier of voertuig voortbeweeg. 2. In 'n voertuig vervoer. 3. 'n Dier of voertuig laat beweeg en bestuur. 4. (t.o.v. voertuie) Hom voortbeweeg. 5. Heen en weer of op en neer gaan, bv. op 'n stoel. 6. Iemand met angs vervul. 7. (t.o.v. viervoetige diere) Dek, paar.
Uit Ndl. rijden (Mnl. riden), in bet. 5 oorspr. t.o.v. skepe gebruik wat voor anker lê en waar die voor- en agterstewe beurtelings diep in die water sink. In bet. 6 hou die woord met die ou bygeloof m.b.t. kwelgeeste verband.
D. reiten, Eng. raid, ride, road, Sweeds rida.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

rijden (reed, is gereden), (ook:) zich voortbewegen met een ander voertuig dan een op wielen: varen, (soms) vliegen. - Etym.: Vgl. S waka = zich voortbewegen: lopen, rijden, varen, vliegen. - Zie ook: rennen*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ry II: op ’n dier of in ’n voertuig beweeg; Ndl. rijden (Mnl. riden), Hd. reiten, Eng. ride, hou verb. m. Lat. (parave)redus (v. perd) en m. ridder en rit (q.v.).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

rijden. Als een boze geest of kwelgeest het onderwerp is van het werkwoord rijden betekent het ‘kwellen, plagen’. Als een ziekte of kwaal dienst gaat doen als subject van rijden, ontstaan er verwensingen. Zo kennen wij in het Middelnederlands die corts ridene, dat vertaald zou kunnen worden met ‘moge de koorts hem kwellen’. De verwensing rijd je (eigen) te pletter! betekent ‘maak dat je wegkomt’ en wordt gebruikt in geval van verontwaardiging, boosheid, woede. De verwenser wil een aangesprokene zijn wil opleggen, vandaar de gebiedende wijs. Bij Sanders en Tempelaars (1998) vond ik nog de varianten rij jezelf maar te pletter! en rijd je eigen kinderen maar te pletter!

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rijden, van den Germ. wt. rid = gaan, rijden. In ’t Keltisch was reda: wagen. Zie ook Bereid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rijden ‘zich voortbewegen in of op een voertuig’ -> Frans † rider ‘het wild achtervolgen, de weg van een dier volgen’; Italiaans arridare ‘manoeuvreren van schip’ <via Frans>; Creools-Portugees (Ceylon) rai ‘paardrijden’; Negerhollands ri, rie ‘zich voortbewegen in of op een voertuig of dier’; Berbice-Nederlands rei ‘zich voortbewegen in of op een voertuig’; Sranantongo rèi ‘zich voortbewegen in of op een voertuig’; Saramakkaans léi ‘zich voortbewegen in of op een voertuig’; Surinaams-Javaans rèi ‘rijden, besturen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

rijden* zich voortbewegen in of op een voertuig 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1932. Men moet rijden en omzien,

d.w.z. men moet voorzichtig zijn; eig. men moet als een goed voerman voortkomen en tevens rondzien; men moet flink bij de hand zijn; vandaar op eene vrouw toegepast: zij kan rijden en omzien, zij is bij de hand; zij kan zich goed redden. De uitdrukking komt in de 16de eeuw voor bij Goedthals, 138: Men moet rijden en ommesien, op zyn wachte ende hoe' zyn, chascun doibt estre sur sa garde; Campen, 88: hy can ryden ende ommesien; Servilius, 95*: men sal ryden ende omsien; Sart. I, 2, 35: ghy moet ryden ende omsien. Zie verder Van Moerk. 144; Cats I, 375: 't Is daerom de jonckheyt en alle soorten van menschen aen te raden, datse rijden (soo men seyt) met ommesien, blijde zyn met beven; Ndl. Wdb. X, 822; Harreb. III, 353 en De Bo, 938: ‘men moet rie'n en ommezien; een Vlaamsch rijmpje om te beduiden dat men niet onbezonnen mag te werke gaan, dat de ijver moet gepaard gaan met omzichtigheid’; Joos, 62; 193; Waasch Idiot. 552 a; Antw. Idiot. 1996; daartegenover in Antw. Idiot. 874: ge kunt niet rij(d)en en omzien, men kan geen twee werken te gelijk verrichten, waar ‘omzien’ blijkbaar in een andere beteekenis is gebruikt.

1933. Rijden en rossen,

d.w.z. hard rijden; eig. rijden en draven, doch thans wordt de uitdr. als eene tautologie opgevat, waarbij de beteekenis van rossen, wild, woest rijden, onvoorzichtig rijden, de overheerschende is; vgl. no. 1250. Zie Kiliaen: Rotsen, rossen, equitareVgl. hossen uit hotsen. Het ww. rotsen beteekent eig. zich schokkend voortbewegen; mnl. rutsen; nhd. rutschen, glijden. Zie Ndl. Wdb. XIII, 1454.; Langendijk, Spiegel der Vaderl. Koopl. 35: gereeden en gerostPanthéon-editie. en C. Wildsch. I, 56: te gaan rijden en rotsen. Bij Hooft, Brieven, 306 en Brederoo I, 380 lezen we reizen en rotsen; bij Pers, 513: rotsende en reysende; Halma, 550: Hij doet niet dan rotzen en rijden, il ne fait que chasser et courir; il est toujours à cheval; Sewel, 682: Ryden en rotsen, to ride post, to ride and shog. In Zuid-Nederland gebruikte men naast het tegenwoordige rijden en rossen ook rijden en rotsen, ritsen, rutsen; karren en rotsen, met wagens en peerden (De Bo, 496; Rutten, 188; Waasch Idiot. 552 a; Antw. Idiot. 1046); reizen en rotsen, waarvan vele plaatsen worden opgegeven door De Bo, 957 a; zie ook Schuermans, 540 a; Joos, 44; Waasch Idiot. 701: verrijden en verrotsen, verkwisten door te rijden.

1979. Een scheeve of rare schaats rijden,

d.w.z. vreemd, zonderling, onbehoorlijk handelen. Vgl. Harreb. II, 240: Hij rijdt een rare schaats; Kippeveer I, 135: Maar hij moet geen baas spelen en vooral nu niet; want Landek rijdt een scheve schaats. Waarmee? vroeg Kippeveer verwonderd. Omdat hij lijnrecht en opzettelijk tegen de Schrift handelt en geesten oproept; Handelsblad, 1 October, 1915 (avondbl.), p. 2 k. 4: Immers, 's Heeren Mees verwijt dat ik to wait on en to wait for niet genoeg uit elkaar hield, moge juist zijn - bij zijn opmerking over ‘iemand gaan ontmoeten’, slaat hij reeds een heel vreemde schaats (= doet hij zeer zonderling, vergist hij zich leelijk). Een leelijke schaats rijden, er bekaaid afkomen, een leelijke pijp rooken; een schuine schaats rijden, een weinig zedelijk leven leiden.

2271. Op de tong rijden,

d.w.z. besproken worden, het onderwerp der gesprekken zijn (in ongunstigen zin); mnl. in tgerucht staen. Zie Kiliaen: Rijden op de tonghe. Adag. diffamari: sinistra fama divulgari; De Roovere, 131:

 De minste seydt vanden meesten quaet:
 Tvolck en can hem selven niet ghelijden.
 Tvolk doet tvolck op tonghen rijden.

Zie verder Col. v. Rijssele, Sp. d. M. 602; Six. v. Chandelier, 14; Lichte Wigger 1; Tuinman I, 201; bij Pers, 666 b en 907 a: op de tonge loopen; bij Vondel, Virg. I, 126: op allemans tong leven; Sewel, 791: Op de tong ryden, to be talked of, to be the common object of talk; Halma, 540: Op ieders tong rijden, être sur la langue du public; Harreb. II, 338; Ndl. Wdb. XI, 243; XIII, 206; vgl. het mnl. op den bec riden; het 16de-eeuwsche op der lieden snatere rijden (bij Castelein, Const. v. Rhetor. 246). In de 17de eeuw zeide men ook: op de tong zijn (ook van een liedje: algemeen gezongen worden; syn. van het 17de-eeuwsche op den naam zijnNdl. Wdb. IX, 1369.) of op 't woord zijn en iemand op de tong brengen of helpen naast op de tong raken (C. Wildsch. II, 236; Tuinman I, 39). In het Friesch: op 'e tromme wêze, op 'e rattel reitsje; in het Waasch Idiot. 344 b: gij danst op de tong van een klapschotel, er wordt kwaad van u gezeid; Antw. Idiot. 1251: op de tong rij(d)en, besproken worden in nadeeligen zin (Waasch Idiot. 656 a); bij Gunnink, 148: iemand op de klaterbaan brengen.

2570. Iemand in de wielen rijden,

d.w.z. iemand tegenwerken, hem in het vaarwater zitten, zich tegen iemand kanten; ook iemand onderkruipen. Eig. gezegd van een rijtuig dat tegen de wielen van een ander rijdt en het daardoor in zijn gang belemmert; vgl. V. Janus III, 131: Deze (besturen) hebben de macht om ter voorziening in de besturen hunner huishoudingen, middelen en inpositiën in hunne departementen te heffen, zoo zij maar voorzichtig genoeg zijn om, met hunne particuliere finantiëele operatiën, niet in de wielen van de algemeene belastingen te rijden; Van Eijk III, 94; Harreb. II, 457 b; Barb. 62: Een oom, die voortdurend zijn lieven neef in de wielen rijdt; Nkr. IV, 3 Juli p. 2; fr. contrecarrer qqn. In het Antwerpsch beteekent iemand tegen zijn kar rijden, hem krenken, misnoegen (Antw. Idiot. 621); fri. immen of elkoar yn 'e tsjillen of wiellen ride; afrik. iemand in die wiele rij.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

reidh- ‘fahren, in Bewegung sein’

Mir. rīad(a)im ‘fahre’ (*reidh-); cymr. rhwydd-hau ‘beeilen, erleichtern’; aisl. rīða ‘in schwankender Bewegung sein, reiten’; ags. rīdan ‘reiten’; afries. rīda, mnd. rīden, ahd. rītan, mhd. rīten, nhd. reiten;
lett. raidīt ‘eilig senden, hetzen’, raiditiês ‘zappeln’;
germ. *ridjan- steckt in ags. ridda, ahd. ritto ‘Reiter’, erweitert in afries. ridder, mnd. ridder (daraus aisl. riddari), mhd. ritter;
gall. rēda ‘vierrädriger Reisewagen’; ir. dē-riad ‘Zweigespann’ (idg. *reidhā); aisl. reið f. ‘Reiten, Reiterschar, Wagen’, and. brande-rēda ‘Brandbock’; ags. rād f. ‘Reiten, Zug, Reise; Musik’; engl. road ‘Weg’; ahd. reita, mhd. reite ‘Wagen, Kriegszug, kriegerischer Anfall’ (germ. *raidō, idg. *roidhā);
vgl. hierzu gall. rēdārius ‘Lenker einer rēda’; ON Еро-rēdia, PN Epo-rēdo-rīx; cymr. ebrwydd ‘schnell’ (*epo-rēdi-);
germ. *(ga)-raiðia- in got. ga-raiþs ‘angeordnet, bestimmt’, aisl. greiðr ‘leicht zu bewerkstelligen, einfach, klar’; afries. rēde, ags. gerǣde, rǣde ‘fertig, leicht, klar, einfach’ (engl. ready); mnd. gerēde, rēde ‘bereit, fertig’; mhd. gereit, gereite ‘fertig, bereit, zur Hand’; als Substantiv in aisl. reiði n. und m. ‘Ausrüstung’, norw. greide n. ‘Pferdegeschirr’; ags. gerǣde n. ‘Geschirr, Rüstung’; mnd. gerēde ‘Gerät, Aussteuer’; ahd. gireiti n. ‘Fuhrwerk’; mhd.gereite n. ‘Wagen, Geschirr, Werkzeug’; aisl. reiðr ‘durchreitbar, bereit’;
got. ga-raidjan ‘anordnen, festsetzen’; aisl. greiða ‘ordnen, zahlen, helfen’; ags. (ge)rǣdan ‘ordnen, helfen’; mhd. (ge)reiten ‘bereiten, ordnen, rechnen, zahlen’.
reidhi- in ir. rēid ‘planus, facilis’; acymr. ruid, ncymr. rhwydd ‘leicht, frei’; abret. roed in den PN Roed-lon, Roidoc, Roet-anau, nbret. rouez ‘rare, clair-semé’; lett. raids ‘bereit’.
reidho- in ir. rīad ‘Fahren, Reiten’; cymr. gorŵydd ‘Pferd’; mlat.-gall. ve-rēdus, para-ve-rēdus (aus *vo-rēdos) ‘Beipferd’; vgl. ahd. ga-rît n. ‘equitatus’; mhd. īn-rit m. ‘Einritt’; mnd. rit n. ‘Ritt’;
zu reidh- auch das Abstraktsuffix cymr. -rwydd m.: air. Kollektivsuffix -rad in air. ech-rad f. ‘Pferde’ (*ek̑u̯o-reidhā);
gr. ἔρῑθος ‘Diener’ mit prothet. ἐ- reiht sich an die Dienernamen mit einer Grundbedeutung des Laufens an, falls hierher gehörig.

WP. II 348 f., WH. II 425.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal