Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

riem - (leren band)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

riem 1 zn. ‘gordel’
Mnl. rime ‘riem, gordel’ [1240; Bern.], rieme ‘id.’ in snijd .j. rieme vte wulfs fel ende dar mede gurt di wel ‘snijd een riem uit wolfsvacht en omgord je daar goed mee’ [1287; VMNW].
Os. riomo (mnd. reme) ‘riem’; ohd. riomo (nhd. Riemen) ‘id.’; oe. rēoma ‘vlies, vel’ (ne. gewest. rim); < pgm. *reumōn- ‘smalle strook, riem’. Nzw., nde. rem ‘riem’ is mogelijk aan het mnd. ontleend, maar kan ook van het niet verwante on. reim(a) ‘voortzetten’ zijn afgeleid. Een nultrap van de wortel in reim(a) vindt men in nno./ijsl. rim ‘spijl’ en het Finse leenwoord rima ‘spijl’. Mogelijk is de stam op dezelfde wijze verbonden met de stam in on. reip ‘touw, lus’, zie → reep, als rijm met die in rijp, zie → rijp 2.
Buiten het Germaans zijn er geen verwanten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

riem1* [leren band] {riem(e), reme 1285} oudsaksisch, oudhoogduits riomo, oudnoors reim, oudengels reoma; etymologie onzeker, misschien verwant met rooien2, zodat de betekenis zou zijn ‘band van samengebonden bastvezels’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

riem 1 znw. m., ‘strook van leer’, mnl. rieme m. v., os. riomo, ohd. riomo (nhd. riemen), oe. reoma m. ‘band, riem, gordel’. — Terwijl men deze woorden op germ. *reuma kan terugvoeren, staat daarnaast on. reim ‘band’, dat men gewoonlijk als ontl. < mnd. rēme (met substitutie van klinker) opvat, maar dat toch wel een echt noord-germ. woord zou kunnen zijn en dan staat naast reip waarvoor zie: reep en verder: reen. Voor dit laatste kunnen pleiten nijsl. nnoorw. rim ‘stang, lat’. — Indien wij dan opmerken dat noordgerm.*reima tegenover westgerm. *reuma staat, dan mogen wij wel eerder denken aan secundaire klinkervariatie (zie J. de Vries PBB 80, 1958, 27), dan aan idg. varianten.

Voor *reuma is geen aanknoping in het idg. te vinden, want een m-afl. van de idg. wt. *reu ‘scheuren, graven’ is onbekend en de verbinding met gr. rhuma ‘het trekken’ is onmogelijk, omdat dit teruggaat op *u̯ruma.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

riem I (strook), mnl. rieme m. (v.). = ohd. riomo (nhd. riemen), os. riomo, ags. rêoma m. “band, riem, gordel”. Oorsprong onzeker. Gr. rūma “het trekken, trektouw” en rūmós “trekboom, dissel” zijn niet verwant: ze hooren bij erúō “ik trek” (werúō) en hebben dus den anlaut wr-, Afkomst van de bij rooien besproken basis is mogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

riem 1 m. (band), Mnl. rieme, Os. riomo + Ohd. riomo (Mhd. rieme, Nhd. riemen), Ags. réoma (Eng. ream): oorspr. onbek. (z. ook hart).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

reem (zn.) riem; Nuinederlands rieme <1548>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

remel, zn.: smalle strook. Dim. van reem ‘riem’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1riem s.nw.
Lang, smal strook leer.
Uit Ndl. riem (al Mnl.).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1817) en vanuit Afr. in S.A.Eng. in die verkleinw. riempie (1850) en in verskeie samestellings, nl. riempie mat (1878), riempje chair (1915), riempje bench (1920), riempie-seat (1927), riempiestoel (1933), riempiesbank (1947) en riempieskoene (1975).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

riem (de, -en), (ook:) 1. ceintuur, als gedragen door dames. - 2. koppel (bij militair uniform). - Etym.: (1) AN r., indien gedragen om het middel, heeft bijna altijd betr. op een broekriem. (2) Het woord ’koppel’ wordt in Sur. niet gebr. - Syn. van 1 damesriem*. Zie ook: belt*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

riem I: smal strook leer, leerband; Ndl. riem (Mnl. rieme), Hd. riemen, blb. hoofs. Germ. v. herk.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Riem snw. Segsw.: Jou rieme styfloop, jou vasloop, so ver gaan tot jy in die moeilikheid kom. – In ’n besondere toepassing vind ons feitlik dieselfde spreekwyse by Joos 756: “Niet verder gaan alsdat zijn zeeḷ lang is. de uitgaven schikken naar de inkomsten.”

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Riem (Iemand een) onder het hart steken, binden, t.w. om te maken, dat het niet in de schoenen kan zakken; ook wel, en misschien beter: iemand een hart onder den riem of gordel steken, d.w.z. moed geven, eig. dus bij iemand, die het niet heeft of verloren heeft. Het eerste wordt, nu meer gehoord, het tweede komt vroeger meer voor, en ook bij de oudste schrijvers.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Riem (gordel, enz.), verwant met ’t Gr. ruma = lijn (touw om te trekken), van den Idg. wt. ru = trekken. De „touwen” waren oorspr. van leer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

riem ‘leren band’ -> Deens rem ‘leren band’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors reim, rem ‘leren band’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds rem ‘koppel, band’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins remmi ‘leren band’ <via Zweeds>; Ests rihm ‘leren band’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels riem, reim ‘strook ongeprepareerd leer’ <via Afrikaans>; Indonesisch rim ‘militaire stijl: leren broekriem voor munitie’; Kupang-Maleis rim ‘broekriem’; Madoerees rīm, ērrīm ‘papieren riem’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

riem* leren band 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

846. Iemand een hart onder den riem steken,

d.w.z. hem bemoedigen, hem moed inspreken, hem het hart opdraaien (in Zuid-Nederland), eene spreekwijze ontleend aan het soldatenleven. Onder hart moet men verstaan moed (vgl. Heb het hart eens dat te doen). Een soldaat die onder zijn riem (die schuin van den schouder over zijne borst loopt) geen hart heeft, geen moed, is een lafaard; zoo iemand moet een hart onder den riem gestoken worden. Vgl. Sartorius III, 3, 38: daer steeckt ghy my 't hert weder onder den riem, waarvoor men in de middeleeuwen zeide: enen een herte in 't lijf spreken, enen 't herte waken, enen een herte geven. Zie verder Pers, 402 a; 382 b; Bank. I, 298; Hooft, Ned. Hist. 457; Brieven, 170; 230; 343; 477; enz. Ook komt bij Hooft, Ned. Hist. 231, voor ‘iemand een hart onder den gordel steken’. Vgl. Taalk. Mag. III, 497; Harrebomée III, 218; Ndl. Wdb. VI, 11; XI, 457. Vgl. fr. (re)mettre le coeur au ventre à qqn; donner du coeur à qqn; hd. einem ein Herz geben, machen, einstecken, einreden; eng. to put heart into a man. Door invloed van het hart zinkt hem in de schoenen is later deze uitdr. veranderd in: iemand een riem onder het hart steken. (Aanv.) Een riem onder 't hart steken wordt (werd?) ook gebruikt onder zeelui, als zij een drenkeling een roeiriem toesteken.(Aanv.) Vgl. ook Ndl. Wdb. XIII, 113..

1928. Den riem toehalen (of dichthalen).

eig. den riem, dien men onder het middel draagt, toehalen; minder eten; zich bezuinigen (no. 368)Vgl. het tegenovergestelde: zijn buik op de leest zetten of slaan, flink eten.. Vgl. De Amsterdammer 18 Aug. 1923 p. 1, k. 3: Volgens een krantenbericht zouden de rijksambtenaren den riem weer moeten toehalen: een der bezuinigingsmiddelen van Minister Colijn zou wezen: de vermindering van hunne jaarwedde met 15 percent; Nkr. 1 Dec. 1923 p. 3, k. 3: Geef den ambtenaar in Holland een dikken riem, zoodat de man hem om zijn te slanke middel extra sterk dichthalen kan.

1929. Het is goed riemen snijden uit een andermans leer,

d.w.z. men kan gemakkelijk met het geld van een ander royaal zijn, onbekrompen uitgaven doen; het is goed spinnen met een andermans garen. Vgl. Bouc van Seden, vs. 537:

 Dune moets uut ander mans siden
 Ne gheene breede riemen sniden.

Zie verder Coninx Somme, 430: Uut ander lude leder sneden si brede riemen; Goedthals, 29: men snyt breede riemen wt ander lieden rugge; Prov. Comm. 776: wt vremder huyt snijtmen breede riemen; Campen, 111: wt ander luyde leer is guet rijmen snijden; Winschooten, 207; De Brune, Bank. I 337: uyt een anders kasse is 't licht geld te tellen; V.d. Venne, 229: wt ander luyden vleys is 't goet hackten snijden; Cats I, 429: 't is licht groot vuur maken van een anders turf (Harreb. II, 348 b); Halma, 539; Afrik. Van 'n andermans se vel (leer) breë rieme sny; Joos, 86, 175; De Cock1, 224: het is goed spinnen van een andermans garen; Suringar, Erasmus L, waar meer dan veertig varianten worden opgegeven; Ndl. Wdb. XIII, 113; Bebel, no. 245; mlat. corrigias exide alieno in tergore largas. Voor het ndd. vgl. Taalgids V, 176 en voor het hd. Wander II, 438: aus fremdem Leder ist gut Riemen schneiden; fr. du cuir d'autrui large courroie; fri. fen in oarmans lear ist goed riemen snijen. (Aanv.) Vgl. mlat. de cute non propria scinditur absque bria (= mensura).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

reu-2, reu̯ǝ- : rū̆- ‘aufreißen, graben, aufwühlen; ausreißen; raffen’, Partiz. Perf. Pass. rū̆-tó-, zum Teil, wie es scheint, noch volleres ereu- (s. unten)

Ai. rav-, ru- ‘zerschlagen, zerschmettern’ (rávat, rudhí, rāviṣam, rṓruvat; Bed. wohl aus ‘her und in Stücke reißen’), Partiz. rutá- ‘zerschlagen, zerschmettert’ (= lat. dī-, ē-, ob-rŭtus); rṓman-, lṓman ‘Haar’ (vgl. unten n. ir. rūaimneach und aisl. rǫgg ‘langes Haar’); gr. ἐρῠσί-χθων ‘die Erde aufwühlend’;
lat. ruō in der Bed. ‘aufreißen, wühlen, scharren’, ē-, dī-, ob-ruō, -rŭtus (s. oben), rūta caesa ‘alles, was auf einem Grundstück ausgegraben und gefällt ist’, rū̆trum ‘Spaten, Hacke, Kelle’, rutellum ‘kleine Schaufel’, rutābulum ‘Schaufel, Scharre’;
mir. rūam ‘Spaten, Grabscheit’, rūamar ‘effossio’; nir. rūaimneach ‘langes Haar’;
aisl. rȳja ‘den Schafen die Wolle ausreißen’ (norw. f. ‘Winterwolle’), as. rūwi f. ‘rauhes Fell’;
aisl. rǫgg f., rǫggr m. ‘langes Haar, lange Wolle’ (*rawwa-), schwed. rugg ‘zottiges Haar’ (*ruwwa-); daraus engl. rug;
got. riurs ‘vergänglich’ (riurjan ‘verderben’), aisl. rȳrr ‘gering, arm’;
vermutlich as. ahd. riomo ‘Riemen, ledernes Band, Gürtel’ (*’abgerissener Hautstreifen’), ags. rēoma, rēama ds., auch ‘dünne Haut’ (vgl. S. 873 *reugh-m(e)n- ‘Rahm’); mnd. mndl. rūn, rūne, schwäb. raun ‘Wallach, Gaul’, wegen ofries. han-rūne ‘Hahnrei’ (eigentlich ‘verschnittener Hahn’) ursprüngl. ‘equus castratus’, mnl. runen, ruynen ‘schneiden, kastrieren’; (nhd. runken); entlehnt lett. rūnīt ‘kastrieren’, ebenso finn. ruuna ‘Wallach’, ruunata ‘kastrieren’;
lit. ráuju, ráuti ‘ausreißen, ausjäten’, ravė́ti ‘jäten’ (rãvas ‘Straßengraben’, apr. rawys ‘Graben’ Lw. aus poln. rów ‘Graben’); lett. raûklis ‘Raufeisen’; aksl. ryjǫ, ryti ‘graben’, rъvǫ ‘reiße aus, jäte aus’, rylъ, rylo ‘Grabscheit, Spaten, Hacke’, rovъ ‘Graben, Grube’, runo ‘Fließ’;
s. auch oben S. 338 über ereu-2, wozu vielleicht auch lit. ùrvas m., auch ùrva f. ‘Höhle’.
Erweiterungen:
a. reub-: ‘reissen’ in lat. rubus ‘Brombeerstaude, Brombeere’ (‘*Strauch, woran man sich reißt’), rūbidus (panis i. e. ‘parum coctus’) ‘roh, rauhrissig’; vielleicht auch rubēta ‘Kröte’; mir. robb ‘Tier’?; germ. *raup-, *rupp- (mit Verschärfung) in got. raupjan ‘rupfen’, ags. rīepan ‘ausplündern’, ahd. roufen, mhd. roufen, reufen, raufen ‘rupfen’; mengl. ryppen, engl. rip ‘reißen’, mhd. rupfen, ropfen ‘rupfen’, aisl. ruppa, rupla ‘losreißen’, rupl n. ‘Beute, Raub’.
b. reud- ‘zerreissen’; rud-ló- ‘roh, wild’.
lat. rūdus, -eris n. ‘zerbröckeltes Gestein, Geröll, Schutt’; auch rudis ‘unbearbeitet, roh’, rullus ‘grob, bäurisch’ (*rud-lo-); mir. rūad ‘Ruine’, cymr. Pl. rhuddion ‘Abfall, Kleie’ (*roud-); anord. reyta (*rautjan) ‘abreißen, zerreißen, zerpflücken, rupfen’, auch mndl. rūten, holl. ruiten ‘reißen, plündern, rauben’, mnd. rüter, holl. ruiter (nhd. Reuter) ‘Plünderer, Räuber’ (Einfluß von mlat. ru(p)tarius); ein zugehöriges Wort für ‘Gerümpel’ setzt mhd. riuze, alt-riuze ‘wer mit Gerümpel handelt oder es ausbessert’ voraus; auf das durch Wässern und Faulenlassen des Flachses vorbereitete Ausziehen der Flachsfaser weisen aisl. rotinn ‘faul, verfault’ (aber ū-rotinn noch ‘wer die Haare nicht verloren’), rot n. ‘Fäulnis; Ohnmacht’, as. rotōn ‘von Rost verzehrt werden’, ags. rotian ‘faulen, welken’; mnd. rӧ̄ten ‘Flachs rösten’, ahd. rōzzen ‘faulen’, mhd. rōzzen und ræzen ‘faulen lassen’, nhd. bair. rӧ̄ssen ‘Flachs faulen lassen’ (umgebildet zu röstennach rösten ‘auf dem Rost braten’), mhd. rōz ‘mürbe’;
hierher ai. Rudrá- GN (*rud-lo-), pāli ludda- ‘grausam’ nach W. Wüst Rudrá-.
c. reudh- ‘reuten, roden’.
Av. raoiδya- ‘urbar zu machen’;
aisl. rjōða ‘reuten, räumen’, mhd. rieten st. V. ‘ausrotten, vernichten’; aisl. rjōðr n. ‘offene Stelle im Walde’, ahd. reod ‘gerodetes Land’, nhd. dial. Ried ds., ahd. riuti ds., riuten (*riutjan) ‘reuten’, ablaut. aisl. ruð n. ‘gerodete Stelle im Wald’, mnd. rot ‘das Roden’, aisl. ryðja ‘roden; aufräumen, ausrotten’, ags. ā-ryddan (engl. rid) ‘berauben, plündern’; mhd. roten, nhd. rotten; mnd. roden, daraus nhd. roden, afries. tō-rotha ‘ausrotten’.
d. reuk- (z. T. wohl auch reug-, reugh-?) ‘rupfen’.
ai. luñcati ‘rauft, rupft, enthülst’, luñcana- n. ‘das Ausrupfen, Ausraufen’, rūkṣá- s. unten; gr. ὀρύσσω, att. -ττω ‘grabe, scharre’, ὀρυχή, ὀρυγή ‘das Graben’, ὄρυγμα n. ‘Graben’, κατωρυχής ‘in der Erde vergraben’; lat. runcō, -āre ‘jäten, ausjäten’, runcō, -ōnis ‘Reuthacke, Jäthacke’; gr. ῥυκάνη ‘Hobel’ (der Vokalvorschlag getilgt etwa nach ῥῡσιάζω ‘reiße weg’ zu *u̯er-s-, -u-??), woraus lat. runcina ds. (-n- durch Fernassimilation, unterstützt durch runcāre); ir. rucht ‘Schwein’ (‘Wühler’ *ruktu-); mcymr. rhwgn ‘Reiben, Kerben’ (*runk-no-? s. Loth RC. 42, 138 f.);
mit dem Begriff der (ausgerauften) Wollzotten und der damit verbundenen Rauheit (wie S. 868 aisl. rǫgg): ai. rūkṣá- ‘rauh’, ahd. rūh, ags. rūh ‘rauh, behaart; ungebildet’; as. rūgi, rūwi f. ‘rauhes Fell, grobe Decke’, mhd. riuhe, rūhe ‘Pelzwerk’, nhd. Rauchwerk, ags. rȳhe, rūwa, rēowe ‘grobe Wolldecke’, aisl. rȳ f. ds.;
als ‘Riß, Furche’ vielleicht hierher lit. raũka f., raũkas m. ‘Runzel’, raukiù, raũkti ‘in Falten ziehen, runzeln’, runkù, rùkti ‘runzelig werden’ und mit g: lat. rūga ‘Runzel, Falte’.
e. reup- ‘ausreißen, zerreißen, brechen’; roupā- ‘Loch, Öffnung’, rūpēis- ‘Fels’.
ai. rōpayati ‘verursacht Reißen, bricht ab’, rúpyati ‘hat Reißen im Leibe’, *rōpa- n. ‘Loch, Höhle’ (= lit. raupaĩ, vgl. aisl. rauf f., serb. rȕpa);
lat. rumpō, -ere, rūpī, ruptum ‘brechen’, rūpēs ‘steile Felswand, Klippe, Felskluft, jäher Abgrund’ (vgl. unten lit. rupis ‘Fels’, wozu illyr. ON Ῥύπες, Achaia, und in ähnlicher Bed. nhd. Riepe ‘Schuttreuse’ und die tirol. Ortsnamen roupǝ, roufǝ, geschrieben Roppen, Rofen), rūpex, -icis ‘ruppiger klotziger Mensch, Rüpel’ (vgl. lit. rupùs ‘rauh, grob’);
aisl. riūfa, ags. rēofan ‘brechen, zerreißen’ (ahd. ā-riub ‘atrox, dirus’, eigentlich ‘ungebrochen’); aisl. rauf f. ‘Spalte, Loch’, ags. rēaf n. ‘Raub, Beute, Kleid, Rüstung’ (*roupā = slav. *rupa ‘Loch’), ahd. roub m. ds., zu got. bi-raubōn, ahd. roubōn, as. rōƀōn ‘rauben’, aisl. raufa ‘durchbrechen, rauben’ und reyfa ‘durchbohren, zerreißen’, ags. bе-rīefan ‘berauben’; aisl. reyfi ‘gerupfte Wolle, rauhes Fell’, mndl. roof ‘abgezogenes Fell’; geminiert ostfries. rubben ‘kratzen, reiben, rupfen’, nd. rubbelig, rubberig ‘uneben, rauh’, nhd. ruppig ‘struppig’, engl. rubble, rubbish ‘Schutt, Abfall’; aisl. rūfinn ‘borstig, struppig, rauhhaarig’; nhd. rüffeln ‘scheuern, hart zusetzen’;
lit. rūpė́ti ‘sich kümmern’, rūpùs ‘besorgt’ (zu russ. rupá ‘Sorge, Gram’), raupýti und (idg. Ablaut ou : ōu) ruõpti ‘graben, höhlen’, rùpas ‘rauh, holperig’, rupùs ‘rauh, grob’, rupìs ‘Fels’, ostlit. raupaĩ Pl. ‘Masern, Pocken’ (‘Rauhigkeit in der Haut’), raupsaĩ ‘Aussatz’; auch lit. rupužė̃, raupežė̃ ‘Kröte’ (von der Rauheit der Haut), vgl. auch lett. raupa ‘Gänsehaut’ (‘Schauder’); serb. rȕpa ‘Loch, Grube’ (*roupā), poln. rupić się ‘sich kümmern’, ablaut. rypać ‘scindere, friare’.
f. reus-: aisl. reyrr m. ‘Steinhaufen’, rūst f. ‘Trummer, zerfallene Mauer’ (s. oben S. 686 über ai. loṣṭá- m. n.); ahd. riostar ‘Pflugsterz’, ags. rēost ‘ein Teil des Pfluges’, nhd. dial. riester ‘Lappen zum Schuhflicken’; dän. ros ‘Schnitzel, Abfall’, norw. dial. ros, rys ‘Fischschuppe’, rus ‘dünne Schale’, rosa ‘ritzen, die Haut aufscheuern, sich lösen’, isl. rosm n. ‘Abfall’, rusl n. ‘Abfall’, as. ruslos m. Pl. ‘Speckseite’, ags. rysel m. Speck, Fett, u. dgl.; ndl. rul ‘locker und trocken, z. B. vom Sand, rauh’ (*ruzlá-); aisl. ryskja ‘reißen, rupfen’, norw. rusk ‘Abfall, Staub’ (auch mnd. rūsch ‘Eingeweide’, bair. geräusch? noch unsicherer mhd. roesche, nhd. dial. rösch ‘hart und leicht zerbrechlich u. dgl.’); mit germ. Wurzelvariation aisl. raska ‘in Unordnung bringen’; mit -p- wohl ahd. gi-rūspit gl. zu inhorruit (aper), und (als ‘im Halse kratzen’) nhd. räuspern, mhd. riuspern, riuspeln, rūspern, vgl. lat. rūspor, -āri ‘suchen’, eigentlich ‘aufreißend, durchwühlend, wonach forschend’, wie ital. ruspare ‘scharren (von der Henne)’, ruspo ‘rauh, neugemünzt’, rospo ‘Kröte’ zeigen;
lit. rausiù, raũsti ‘scharren, wühlen’, rūsỹs, rúsas ‘Grube für die Winterkartoffeln’, pelen-rũsis, -rūsà ‘Aschenbrödel’, rùsinti ‘schüren’, lett. raust ‘schüren, wühlen’, raustīt ‘zerren, reißen’, rūsa ‘aufgehäufter Schutt’; über aksl. rušiti ‘umstürzen’, *ruchъ ‘Bewegung’, s. oben S. 332.

WP. II 351 ff., WH. II 445 f., 447 f., 451 ff., Trautmann 240, 241, 247, Wissmann Nom. Postverb. 10, 130, 176 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal