Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

richel - (uitstekende rand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

richel zn. ‘uitstekende rand’
Mnl. richel ‘dwarslat’ in stilen, righelen, afsaten ‘stijlen, dwarslatten, lijstwerk’ [1380; MNW]; vnnl. richel ‘plank, rand’ in eyken rychelen aent schalgijen dack ghebesicht ‘eiken randen, gebruikt voor aan het leien dak’ [1530-31; Claes 1994a].
Oude ontlening aan Latijn rēgula in de betekenis ‘lat, balk’, zie → regel. In het Nederlands met de klankovergang -g- > -ch- voor -l-, zoals in → bochel bij → buigen en tichel bij → tegel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

richel [rand] {rychel 1530-1531, vgl. richel [lat, dwarslat] 1380} verscherpt uit regel, vgl. tichel bij tegel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

richel znw. v. m. ‘platte lat, lijst’, reeds bij Kiliaen is een verkorting van mnl. rijghel ‘grendel, lat’, Kiliaen rijchel, vgl. Akens richel ‘dwarsbalk om de planken van de hofpoort bijeen te houden’, Kleefs ‘plank voor keukengerei’. — Evenals regel < lat. rēgula, maar reeds in de Romeinse tijd met de overgang van ē > ī > ij, zoals ook in krijt. Formeel is het woord te vergelijken met tichel. — Uit zuidnl. riegel is overgenomen het woord riechel m. v. ‘plank met knoppen om de kleren aan op te hangen’ in de Brandenburgse Mark (Teuchert Sprachreste 262-3).

Het is onnodig voor de vormen met lange en korte klinker terug te gaan op lat. vormen met een lange en korte e.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

richel znw. Zie regel. Voor de ch vgl. nog bochel, echel (bij egel).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

richel, riggel v., bijvormen van regel; cf. tichel, tegel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

riffel s.nw., ww.
Golwing, kreukel of vou op 'n gelyk oppervlakte, of kreukels of voue maak.
As s.nw. uit Ndl. richel (1769 - 1811) 'smal verhewendheid of insnyding aan 'n voorwerp'. Die ww. het in Afr. self ontwikkel. Die bet. van Mnl. richel, 'n bet. wat ook nog in Ndl. aangetref word, is 'verbindingslat, dwarslat, grendel'. Die Afr. bet. sou ook aan die verbreidheid van rif toegeskryf kon word, ook wat die vorm betref. Vir die f vgl. ook saf (naas sag) teenoor Ndl. sacht.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

richel (Latijn regula)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Richel, verscherping van regel, z. d. w.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

riggel. - Reeds in het eerste hoofdstuk dezer afdeeling is er bij de woorden Ontriggelen en Ontriggeling op gewezen, dat riggel niet geschikt is om gebruikt te worden in den zin van spoor, eng. fr. rail. Het volk gebruikt riggel in die beteekenis niet; in Vlaanderen zegt men algemeen roete (fr. route). Riggel komt vooral in de couranten voor. || De trein stoomde langzaam … over de riggels voort, BUYSSE in De Gids 1894, III, 203.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

richel ‘(uitstekende) rand, lat, smalle (zand)strook, geul’ -> Duits Rigole ‘diepe geul, ontwateringssloot’ <via Frans>; Duits dialect Riechel ‘plank voor het ophangen van kleding’; Frans rigole ‘greppel, geul, ondiepe voor, funderingssleuf’; Tsjechisch rigol ‘ontwateringssloot, diepe geul’ <via Frans>; Slowaaks rigol ‘ontwateringssloot, diepe geul’ <via Frans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

richel rand 1530-1531 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2336. Vee (of tuig) van de richel,

d.w.z. kanaille, vee van Laban, een troep deugnieten, gespuis. Onder de richel moet men hier verstaan ‘een smal bankje in den engelenbak van den vroegeren Amsterdamschen schouwburg achter tegen den schuinen want van de kap aangebracht. Men kon daar zoowat zitten, maar niets zien van 't geen op het tooneel gebeurde; daarom moesten zij, die daar plaatsen hadden, gedurende de voorstelling staan, of leunen op de ruggen van de menschen, vóór hen. Naar dat publiek wordt thans nog het minste soort menschen ‘'t vee van de richel’ genoemd (V. Maurik, Jong. 149, noot). Vgl. Harrebomée II, 220: Het is volk van de rigchel; Amst. 109: Op zij, vee van de richel! eerst mot de ouderdom er in!; Jong. 153: Pas op, vee van de richel! of ik haal jelui éen voor één over de bank!; Zevende Gebod, 63: Jij sal d'r af of ik sal d'r af! Valderappus! Riggeltjestuig! vee!In het Ndl. Wdb. XIII, 25 wordt gedacht aan richel, dikke plank in een koestal, waarop het vee met de achterpooten staat (Boekenoogen, 826); dus vee van de richel, vee uit den stal, stalvee; vgl. ook Nav. IV, 284.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

reik- ‘sich aufrecken’ und ‘wackeln’; ‘Stange, Latte’

Norw. rjaa m. ‘Stange zum Trocknen des Getreides’ (*rīhan-), schwed. dial. ri f. ‘Pfahl, Stange’; mnd. rick, reck n. (*rikkó-) ‘lange dünne Stange’, mhd. ric, -ckes m. ‘waagrechtes Gestell, Stange’, nhd. Reck; ahd. rigil m., mnd. regel m. ‘Riegel, Reeling’, nnd. auch rīchel, älter ndl. rijgel jetzt richel ‘Riegel’; isl. rīgr m. ‘Steifheit’ (auch Name des Heimdallr); mnd. rēch ‘steif’, aisl. reigjask ‘den Körper aufrichten, sich anspannen’, ags. rǣge-rēose ‘Muskeln am Rückgrat’; aisl. riga, -aða ‘(hin und her) bewegen, zum Wanken bringen’, schweiz. rigelen ‘schwanken’; norw. dial. rigga ‘erschüttern’; norw. rikke ‘bewegen, rücken’, ostfries. rikke(l)n ‘hin und her bewegen, wackeln’; lett. rìku (rìkstu), rikt ‘gerinnen, fest werden’.

WP. II 346 f.; wohl als reik̑- zu reig̑-; s. auch rei-5.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal