Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reu - (mannetjeshond)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

reu zn. ‘mannetjeshond’
Middelnederlands ruede (1285) ‘hond, valse hond’ (als scheldwoord), verder ‘grote, sterke hond, bloedhond; mannetjeshond’, overdrachtelijk ‘ellendeling, onmens’; bantrode ‘kettinghond’ (1437). Vnnl. rue (1550, Lambrecht), rueikin ‘reutje’ (1550), reud ‘mannetjeshond; geile man’, reudhond (1599), mv. ook roën (Gheurtz, Adagia, 1552), dialectisch reut, rut (Vlaams). Afleidingen: roden, reuden (1599), ruen (1567) ‘loops zijn’, reudigh ‘loops’ (1599). Of de met o en oo gespelde vormen daadwerkelijk een oo-klank vertegenwoordigen en niet eu, is vanwege de periode en herkomst van de teksten niet met zekerheid te zeggen.
Verwante vormen: Oudsaksisch ruthio, Middelnederduits rode, rodde, rödde ‘grote hond, mannetjeshond’, Oudhoogduits rudio, rudo ‘vervaarlijke hond (canis molossus)’, Mhd. rüde, Mohd. Rüde, Alemannisch dial. rütt; Oudengels ryϸϸa en roðhund ‘vervaarlijke hond (canis molossus)’, ook hroð-hund ‘nutteloze hond’.
Eerdere etymologica zijn uitgegaan van een grondvorm *ruϸ- en hebben die proberen te verbinden met de Germaanse wortel *rud- ‘rood’ of met het werkwoord *reudan ‘verwijderen, vernietigen’. De ‘grote hond’ zou dan ‘de rode’ of ‘de verscheurende’ zijn geweest, wat beide niet erg overtuigend is. Oudengels hroð-hund wijst in de richting van een Germaans woord met *hr-, waartegen de afwezigheid van h- in de Oudhoogduitse glossen geen dwingend bewijs is. Kroonen (2013: 251) reconstrueert derhalve Proto-Germaans *hruϸjan- ‘mannetjeshond’ als basisvorm, naast *hruϸa- voor Oudengels roðhund.
Het staat niet vast dat ‘mannetjeshond’ de oudste betekenis is, de oudste talen wijzen eerder op ‘grote, vervaarlijk hond’. Van welk ander Germaans woord *hruϸjan- is afgeleid, is ook niet helemaal duidelijk. Als de verbinding met Oudnoors hroði ‘snot’ < *hruϸan-, IJslands hryðja ‘hoesten’ primair is, kan de betekenis van het dier ‘snuiver’ of ‘kwijler’ zijn geweest. Kroonen geeft de voorkeur aan een verbinding met Proto-Germaans *hreutan- ‘snurken’ (Oudnoors hrjóta, Oudengels hrūtan ‘snurken’) en *hrut(t)ōn- ‘snurken, brullen’ (Duits Rotz ‘snot’, Nederlands reutelen, Engels to rut ‘bronstig zijn’). De ‘reu’ zou dan de ‘snuiver’ of de ‘blaffer’ kunnen zijn.
[Gepubliceerd op 18-02-2016 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reu [mannetjeshond] {reude, rode [grote hond, mannetjeshond, -vos, -wolf] 1285, reu 1573} hoogduits Rüde [brak, reu, mannetjesvos, -wolf, -marter], misschien < latijn rutilus [roodbruin]; de betekenis ‘mannetjeshond’ lijkt niet primair te zijn en mogelijk slaat de benaming allereerst op wilde dieren zoals de vos; een andere mogelijkheid is verwantschap met rooien2; de vos is dan het ‘verwoestende dier’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

reu znw. m. ‘mannetjeshond’, mnl. reude, ruede, ‘bloedhond, grote hond, reu’, mnd. röde, ohd. rudio ‘grote hond, herdershond, jachthond’ (nhd. rüde). Daarnaast zonder umlaut mnl. mnd. rōde, ohd. rudo, oe. roðhund ‘dog’. Verder mnd. rodde, oe. ryðða, ‘grote hond, kettinghond’. — De enige idg. aanknoping levert lat. rutilus ‘rossig’, maar semantisch is dat weinig bevredigend. Misschien kan men eerder uitgaan van ‘verscheurend dier’ en dan het woord rekenen tot de groep van rooien 2, vgl. mhd. rieten ‘uitroeien, vernietigen ‘ en oe. āryddan ‘ beroven, plunderen ‘.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

reu znw., mnl. rōde, rȫde m. “groote hond, reu”. = ohd. rudo (*rudio) “groote hond” (nhd. rüde), mnd. rōde, rodde, ags. ryðða (ook roð-hund) m. “id.”. Soms neemt men als germ. anlaut χr- aan: dan zou lit. krutù, krutė́ti “zich roeren” verwant kunnen zijn (zie opruien). De overgeleverde vormen wijzen echter veeleer op anlaut r-: desnoods zou men aan verwantschap met lat. rutilus “rossig” kunnen denken, van een basis ru-t- (naast ru-dh-, waarvan rood).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reu m., Mnl. reude, rode + Ohd. rudo (Mhd. rüde, Nhd. id.), Ags. hrydda. Daarbij dial. Ndl. rut, dial. Hgd. rüttz. Hieruit Osl. hrŭtŭ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

reut, zn.: kwajongen, deugniet; slimme, doortrapte vrouw; gierige vrouw; slet, zedeloos meisje. Mnl. reude ‘mannetjeshond, reu’, Vnnl. reud, reudhond, reutken ‘mannetjeshond’ (Kiliaan). Wvl. rut, Mnd. röde, Ohd. rudio ‘grote hond’, D. Rüde, Oe. ryþþa. Voor de betekenisverschuiving, vgl. Ndl. rekel.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

rut (D, K, DB), zn. m.: reu. Mnl. reude ‘mannetjeshond’, Vroegnnl. reud, reudhond, reutken ‘canis mas.’ (Kiliaan). Mnd. rode, Ohd. rudio ‘grote hond’, D. Rüde, Oe. ryþþa. Misschien verwant met rooien als ‘verscheurend dier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reu mannetjeshond 1285 [CG Rijmb.] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal