Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

repel - (vlaskam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

repel zn. ‘vlaskam’
Mnl. in de afleiding afrepelen ‘vlas kammen’ in ende die bollen werden alle af gherepelt ‘en de zaaddozen worden allemaal met de vlaskam verwijderd’ [1485; MNW]; vnnl. Repel, Daar mede de bollen van 't vlas gedaan werden ‘vlaskam, waarmee de zaaddozen van het vlas getrokken worden’ [1695; WNT].
Mnd. repel ‘vlaskam’; ohd. riffila ‘zaag, werktuig met tanden’; < pgm. *repilō- ‘werktuig met tanden’. Wrsch. een afleiding met het verkleiningsachtervoegsel *-il- van pgm. *repō-, waaruit: mnl. repe ‘ijzeren kam’ (repe daer men vlass mede reept [1477; Teuth.]); nzw. repa (in linrepa/hörrepa) ‘vlaskam’, met daarbij het ww. repa ‘afritsen (bijv. van bessen), plukken’. Wrsch. hoort dit ablautend bij een werkwoord pgm. *rīpan- < *reipan- ‘scheuren, plukken’, waarin de -p- secundair is ontstaan uit pie. *(H)reip-n- met de wet van Kluge. Daarnaast staat met *-f- uit pie. *-p- het sterke werkwoord pgm. *rīfan- < *reifan- ‘id.’, met grammatische wisseling *rīban-, waaruit: mnl. riven ‘harken, raspen’; mnd. riven ‘schuren’; ofri. rīva ‘scheuren’; on. rífa ‘stukscheuren’ (nzw. riva ‘id.’; hierbij ook het zn. on. rifa ‘scheur, spleet’). Zie ook → reep.
Wrsch. is pgm. *reipan- verwant met: Grieks ereípein ‘doen neerstorten, openscheuren’, erípnā ‘steile kant, steilte’; < pie. *(h1)reip- (LIV 504). Misschien hoort hierbij ook Latijn rīpa ‘oever, kust’, zie → rivier.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

repel1* [vlaskam] {1695} van middelnederlands repe [idem] {1477} van een stam met de betekenis ‘scheuren’ (vgl. reep).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

repel 1 znw. m. ‘vlaskam’, ofschoon eerst na Kiliaen bekend, is toch wel oud, vgl. mnd. rēpel v., ohd. riffila (nhd. riffel) soort van zaag, ne. ripple ‘repel’. — Het is afgeleid van Kiliaen rēpe, mnd. rēpe, oudnhd. reffe v. ‘repel’. — Blijkbaar een toestel om af te scheuren of te rukken en afgeleid van idg. *reib, waarvoor zie: rijp 4 en reep. Zie verder ook: repelen.

De bet. ‘stalpaal’ komt voor in Drente, Overijsel, Utrecht, verder O. Betuwe en Oostel. N. Brabant, in de vorm reipel in Antw. en de Kempen; volgens K. Heeroma Driem. Bl. 11, 1959, 65-79 eig. ‘ruw afgekapte tak’, wat echter voor het gebruik als ‘stalpaal’ weinig waarsch. klinkt. Eerder is te herinneren aan on. rifr ‘boom van het weeftoestel, waarom het weefsel gewikkeld wordt’; het is mogelijk, dat men moet uitgaan van een wt. *rei, die gebruikt werd voor werkzaamheden in het primitieve bosbedrijf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

repel znw., niet mnl. of bij Kil. = mnd. rēpel v., eng. ripple “repel”, ohd. riffila v. “zaag” (nhd. riffel; repelen ww., laat-mnl. rēpelen = mnd. rēpelen “repelen”, ohd. riffilôn “zagen” (nhd. riffeln), eng. to ripple “repelen”. De kortere vorm Teuth. Kil. (nog zuidndl.) repen = mnd. rēpen “repelen”, nhd. reffen “id.”. Kil. (nog vla.) repe, mnd. rēpe, oudnhd. reffe v. = “repel”. Verwantschap met rapen is niet aannemelijk met ’t oog op mnl. reipen “rukken, scheuren”, Kil. (nog vla.) reepen “hekelen, (vlas) braken”, met ei, ê uit ai. Veeleer bij rijp III, reep en ier. rêbaim “ik ruk, scheur stuk”. Mhd. reffen “rukken, plukken”, dat ook bij rapen wordt gebracht, kan ook bij repel enz. hooren.

[Aanvullingen en Verbeteringen] repel. Naast de i-basis vormen met a: oudnhd. raffen “repelen” [met f zw. dial. raffla “een schrobbeering geven”]: grondbet. van deze basis wsch. “slaan”: vgl. ags. repel “staff, rod”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

repel. Het bij v.Wijk Aanv. genoemde oudnhd. raffen ‘repelen’ zou bij rapen kunnen behoren; ags. repel m. ‘stok, staf’ behoeft niet van de groep van repel gescheiden te worden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

repel m., + Hgd. riffel, Eng. ripple: verbaalabstr. van repelen, frequent. van Mnl., Mndd. repen, Hgd. reffen, bij rijp 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

reep, repe zn. v.: repel, vlaskam. Mnl. repe ‘vlaskam’, Vnnl. repe om vlas te repen ‘une graphe à lin’ (Lambrecht), ‘vlaskam’ (Kiliaan). Mnd. rêpe. Afgeleid van ww. rijven ‘harken’, met intensieve occlusief p. De vlaskam heeft nl. tanden zoals een hark. Afl. ww. repen ‘repelen’.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

repe (DB, GG: Rumbeke), zn. v.: repel, vlaskam. Mnl. repe ‘vlaskam’, Vroegnnl. repe om vlas te repen ‘une graphe à lin’ (Lambrecht), ‘instrumentum ferreum, quo uni semen stringitur’ (Kiliaan). Mnd. rêpe. Afgeleid van ww. rijven ‘harken’, met intensieve occlusief p. De vlaskam heeft nl. tanden, zoals een hark. Ww. repen ‘repelen’. Zie ook ribbel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

repel ‘vlaskam’ ->? Frans † rièble ‘plantensoort (galium aparine) met scherpe bladeren en stekels (als een vlaskam)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

repel* vlaskam 1695 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal