Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

rei - (gracht, greppel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ree2 [greppel] {1250 in de betekenis ‘grenslijn’} vgl. rei2 [gracht].

rei2 [gracht, greppel] {reye [gracht] 1282} < oudfrans reie, roie (frans raie [vore, streep]) < middeleeuws latijn riga [idem] < gallisch rica (welsh rhych, iers rech) [drempel].

rui1 [stadsgracht] {ruye 1599} nevenvorm van rei2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

rei 2 znw. v. (Zuidnl.) ‘waterloop, stadsgracht’ (verouderd) ‘streep, rooilijn’, mnl. roye ‘waterloop’, Kiliaen reye, ruye < ofra. raie, roie ‘voor, streep, lijn’ < gall. rĭka ‘voor’ (zie: voor 1). — Van hetzelfde fra. woord ook raai en rooi. — In de bet. ‘maatlat’ > russ. reék réjka (verkl. woord, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 76).

rui 2 znw. (zuidnl.) ‘stadsgracht’, ook ruie, vgl. Kiliaen ruye, reye ‘aquaeductus, fossa publica’. — Zie verder: rei 2.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

rei 2 v. (lijn, meetlat, waterloop), met bijvormen reie, ree, rui, uit Ofra. reie, roie, Nfra. raìe = vore, streep, van Lat. rigam (-a), bij rigare (z. regen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2016), Addenda

ree (Wvl., Ovl., Zeeuws) ‘afwateringsslootje’. Aan de beschouwingen in WEW, OEW heb ik in ZEW de volgende hypothese toegevoegd: ‘M.i. veeleer ablautend naast Mnl. rie ‘lijn, streep, rij’, Mhd. rihe ‘lijn, smalle gang, geul’, naast – met grammatische wisseling – Mhd. rige ‘lijn, rij, watersloot’, Oudengels râw, Engels row ‘rij’. Indo-Germaans *rei ‘rijten, snijden’.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

rei, zn.: meetlat. Mnl. rië, rije ‘lat, meetlat, lijn, streep’, Vnnl. rije ‘lijn, regel, maatstaf’ (Kiliaan). Vermoedelijk hetzelfde woord als rei ‘streep, lijn’ < Fr. raie, roie ‘streep, voor’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ree 1, zn.: greppel. Ook Vlaams. Mnl. ree ‘grenslijn’ wordt verklaard uit Ofr. reie, roie ‘streep, voor’, Fr. raie < Lat. riga, maar daaruit kunnen we alleen reie afleiden, niet ree met Wvl. scherplange e. Veeleer var. van Mnl. reen ‘grens’, Mnd. rein, Ohd. rein, D. Rain, On. rein, N. rein, De., Zw. ren. Idg. *rei- ‘rijten, snijden’. De vorm zonder n kan zijn ontstaan uit de samenstellingen reegracht < reengracht, regenoot < reengenoot, reekant < reenkant.

rui 1, zn.: stadsgracht. Geronde var. van Mnl. reye ‘(stads)gracht, waterloop’, Vnnl. reye, ruye ‘waterloop, gracht’ (Kiliaan). Uit Ofr. reie, roie, Fr. raie ‘voor, streep’ < Mlat. riga < Gallisch rica.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

ree 1 zn.: rij, reeks, rechte lijn, scheiding (in het haar), afwateringsslootje, greppel. Ook Vlaams (met scherplange e). Mnl. ree (en vermoedelijk hypercorrect) rede ‘grenslijn, richtsnoer’ wordt verklaard uit Ofr. reie, roie ‘streep, voor’, Fr. raie < Lat. riga, maar daaruit kunnen we alleen reie afleiden, niet ree met scherplange e. Misschien var. van Mnl. reen ‘grens’, Mnd. rein, Ohd. rein, D. Rain, On. rein¸ N. rein, De., Zw. ren. Idg. *rei- ‘rijten, snijden’. De vorm zonder n kan zijn ontstaan uit de samenstellingen reegracht < reengracht, regenoot < reengenoot, reekant < reenkant. M.i. veeleer ablautend naast Mnl. rie ‘lijn, streep, rij’, Mhd. rihe ‘lijn, smalle gang, geul’, naast – met grammatische wisseling – Mhd. rige ‘lijn, rij, watersloot ‘, Oe. ræ̂w, râw, E. row ‘rij’. Idg. *rei- ‘rijten, snijden’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

ree 3 (Maldegem, W, ZV), zn.: afwateringsslootje. Ook Wvl. (met scherplange e). Mnl. ree 'grenslijn' wordt verklaard uit Ofr. reie, roie 'streep, voor', Fr. raie < Lat. riga, maar daaruit kunnen we alleen reie afleiden, niet ree met scherplange e. Veeleer var. van Mnl. reen 'grens', Mnd. rein, Ohd. rein, D. Rain, On. rein, N. rein, De., Zw. ren. Idg. *rei- 'rijten, snijden'. De vorm zonder n kan zijn ontstaan uit de samenstellingen reegracht < reengracht, regenoot < reengenoot, reekant < reenkant.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

reie stadsgracht (West-Vlaanderen). « fra. raie ‘voor’ (znw.) « gall. rica ‘voor’.
De Bo 803, NEW 799.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

ree 4 (DB, WVD: NO), zn. v., scherpl. e: grenssloot, afwateringssloot. Mnl. ree grenslijn’ < Ofr. reie, wie streep, voor’, Fr. raie < Lat. riga (WNT), maar daaruit kunnen we alleen reie verklaren, niet ree met scherplange e. Veeleer var. van Mnl. reen ‘grens’. Mnd. rein, Ohd. rein, D. Rain, On. rein, N. rein, De., Zw. ren. Idg. *rei- ‘rijten, snijden’. De vorm zonder n kan zijn ontstaan uit de samenstellingen, zoals Wvl. reegracht < reengracht, regenoot<reengenoot, reekant < reenkant.

reie (DB, B), zn. v.: waterloop, stadsgracht. Mnl. reye ‘waterloop, stadsgracht’, Vroegnnl. reye, ruye ‘aqueductus, fossa publica’. De Brugse Reie heette 1198 Roia < Ofr. roie, reie < Mlat. riga ‘lijn, streep’, Gal. rika ‘voor’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

rei ‘(verouderd) lat, maatstok (van timmerlieden)’ -> Russisch reek,réjka ‘stormlat, slingerlat’; Oekraïens réjka ‘stormlat, slingerlat’ <via Russisch>.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal