Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

reeds - (al)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

reeds bw. ‘al’
Mnl. 620000 coreelen, daeruppe de voorn. J. reets 100000 ... gelevert heeft ‘620.000 tegels waarvan de genoemde J. er al 100.000 geleverd heeft’ [1464; MNW].
Afleiding met bijwoordelijke → -s van mnl. reet, rede ‘gereed, klaar’, zoals in maecten hem reet wech te varen ‘(zij) maakten hem klaar om af te reizen’ [1400-50; MNW], Ter tijt toe dat de voirs. toorn voll ende all volmaeckt ende rede is ‘tot het moment dat de genoemde toren volledig afgebouwd en gereed is’ [ca. 1450; MNW]. Het bn. reet, rede werd vooral gebruikt met het voorvoegsel → ge- (sub g), dat de volledigheid nog benadrukt. Zie verder → gereed.
Dezelfde betekenis is te vinden in: mnd. rede, reide; vnhd. bereit (nhd. bereits); me. all ready (ne. already).
Uit de combinatie al reeds, waarin al de volledigheid nog versterkt, ontstond in het Vroegnieuwnederlands door verkorting → al in de betekenis ‘reeds’. Reeds is nu beperkt tot de formele taal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

reeds* [al] {1658} van middelnederlands reet, rede [gereed] + bijw. vormende s.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bereid bnw., mnl. bereit, bereet (d) “gereed, bereid”. = ohd. bireiti (nhd. bereit) “id.”, mnd. berêde, bereide “gereed”. Naast dit wgerm. *bi-raidia- germ. *(ʒa-)raið(i)a- in mnl. ghereet, ghereit (gebruikelijker dan bereit, bereet) en (vooral noordndl. in fri.-frankische grensdiall.) rêde, reet, reit “gereed, bereid, voorradig” (nnl. ree, rede (reede)), mhd. gereite, mnd. (ge)rêt, (ge)rêde, (ge)reit, (ge)-reide “id.”, ofri. rêde “gereed, voorradig”, ags. (ge)ræ̂de “gereed, vlug, eenvoudig” (eng. ready), on. greiðr “geen moeilijkheden opleverend”, got. garaids “vastgesteld”. Opvallend is de ê van gereed tegenover de ei van bereid. Deels kan dit verschil daaruit verklaard worden, dat vormen uit verschillende diall. in de schrijftaal zijn doorgedrongen: ê voor ei kan vla. zijn. Maar ook in andere streken is de ê wellicht klankwettig in het bijwoord: *-raidô. Ook mnl. (noordndl.) rêde heeft gew. ê. Opvallend is verder, dat mnl. be-, ghereet, be-, ghereit slechts hoogst zelden een onverbogen vorm op -de hebben. We kunnen van een a-stam = got. garaids uitgaan: die zou meteen het ê-vocalisme verklaren. Veeleer echter zijn de ndl. vormen identisch met de du. en ags.: de vormen op t ontstonden, doordat in de verbogen casus -e als uitgang werd gevoeld; dit kon te eerder omdat de deelww. van (be-, ghe-)rêden, reiden ook (be-, ghe-)reet, reit luidden, met verbogen casus op -de. Het bijw. reeds (reeds mnl., hoewel zeldzaam) is met bijwoordelijke s (zie aanstonds) van mnl. rêde, reet (ook: gherêde, alrêde) “vlug, onmiddellijk” gevormd. Voor de bet. vgl. mnd. rêde(n), reide, ang. already “reeds” en oudnhd. bereit, nhd. bereits “reeds”, welk laatste woord bij de vorming van nndl. bereids “reeds” invloed gehad heeft; mnl. bereide bijw. = “bereidvaardig”. Het ww. bereiden, mnl. bereiden, berêden naast ghereiden, gherêden, reiden, rêden (nnl. reden) komt ook in andere talen voor: mhd. bereiten, (ge)-reiten, mnd. (be)rêden, (be)reiden, ofri. birêda, ags. (ge)ræ̂dan, on. greiða, got. raidjan “in orde brengen” (en afgeleide bett.). Deze woordfamilie is verwant met rijden; *raiðia- heeft dus een dergel. beteekenis-ontwikkeling gehad als hd. fertig, zie vaardig. Vgl. nog gerei.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

reeds bijw., met adv. s van *reed: z. gereed en vergel. Hgd. bereits en Eng. already.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

reeds bw., (ook alg. in spreektaal) al. Deze vervloekte plantage*, het is nog zo vroeg en je hebt reeds last van de muskieten* (B. Qoft 1969: 84).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Reeds, met bijw. s van gereeds (met weglating van ge) en dit verwant met reeden, zie bereiden; vgl. Reede en Bereids. „Hij komt reeds”, is dus oorspr.: hij komt kant en klaar, geheel toegerust; hij heeft dus geen tijd meer noodig om zich reisvaardig te maken, zoodat uit deze bet. die van: spoedig, vlug ontstond. Vgl. ’t Hgd. schon (ons reeds) dat ’t zelfde als ons schoon, klaar (gereed) is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

reeds ‘al’ -> Fries rees ‘al’; Sranantongo aleisi, leisi ‘al’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

gekte [gekkigheid, dwaasheid, onzin] (1973). Programmamaker Wim T. Schippers (1942) maakt, net als het cabaretduo Van Kooten en De Bie, allerlei nieuwe woorden en betekenissen algemeen bekend. In 1973 munt Schippers gekte ‘gekkigheid, dwaasheid’. Dit woord raakt volledig ingeburgerd en we zien het tegenwoordig veel terug in samenstellingen, zoals Oranjegekte en WK-gekte. Andere Schippers-woorden komen voort uit de De Barend Servetshow (voor het eerst uitgezonden in 1972), zoals de uitroep pollens! en de uitdrukkingen peu nerveu en prima de luxe. Het personage Sjef van Oekel uit deze show (gespeeld door Dolf Brouwers) gebruikt als stopwoord het zeer nadrukkelijk en langgerekt uitgesproken reeds, dat door velen wordt overgenomen. Om de lastige keuze tussen u en je te omzeilen, kiest Schippers in zijn VPRO-radioprogramma Ronflonflon met Jacques Plafond (1984-1991) consequent joe, ongetwijfeld beïnvloed door het Engelse you. Dit vindt tot op heden enige navolging. Ook jammer, maar helaas uit 1978 wordt nog steeds gebruikt. Kutzwager ‘man die met dezelfde vrouw geslapen heeft’ is algemeen bekend geworden door het toneelstuk Kutzwagers van Wim T. Schippers uit 1984, maar het woord was al ouder.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

reeds* bijwoord van tijd: al 1658 [WNT]

reeds* betekenisloos tussenwerpsel 1972 [Van Gelder 1993]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal