Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

recht - (gerechtigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

recht 2 zn. ‘gerechtigheid; rechtspraak, judicatuur’
Onl. reht ‘gerechtigheid, rechtmatigheid’ in thu irduomis folc an rehti ‘jij oordeelt de volkeren in rechtmatigheid’ [10e eeuw; W.Ps.], mit rechte ‘terecht’ [ca. 1100; Will.]; mnl. recht ‘rechtvaardigheid; wettelijk recht, rechtsgewoonten, -bevoegdheid, -uitoefening enz.’ in men mah hem bi rehte dehant afslaen ‘men mag hem overeenkomstig de regels van de wet de hand afhakken’ [1237; VMNW], dat si sullen staen terechte ‘opdat ze voor het gerecht zullen komen’ [1237; VMNW], dat si recht doen den portren ‘dat zij rechtspreken over de burgers’ [1254; VMNW].
In het West-Germaans voorkomende substantivering van het bn.recht 1 in de betekenissen ‘rechtvaardig, wettig’.
Os. reht (mnd. recht); ohd. reht (nhd. recht); ofri. riucht, riocht (nfri. rjocht, rjucht); oe. riht (ne. right); < pgm. *rehta-. Daarnaast on. réttr (nzw. rätt) < pgm. *rehtu-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

recht2* [gerechtigheid] {oudnederlands reht 901-1000, middelnederlands recht} substantivering van het bn. recht1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

recht 2 znw. o., mnl. recht, onfrank. os. ohd. reht, ofri. riucht, oe. riht (ne. right) is een substantivering van het bnw. recht 1. Daarentegen is on. rēttr m. ontstaan uit *rehtu, evenals oiers. recht, kymr. rhaith ‘wet’. — Een voorbeeld van germ. kelt. woordgemeenschap (vgl. Porzig, Gliederung des idg. sprachgeb. 1954, 122); men moet eerder denken aan een gemeenschappelijke ontwikkeling van een rechtsterm, dan aan ontlening van germ. uit kelt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

recht II znw. o., mnl. recht o. = onfr. ohd. rëht (nhd. recht), os. rëht, ofri. riū̆cht, ags. riht (eng. right) o. “recht”. Gesubstantiveerd o. van recht I. In gelijke bet. on. rȇttr in. (*reχtu-). Vgl. voor de bet. ier. recht “wet”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2reg s.nw.
1. Geregtigheid, regverdigheid. 2. Gestaltegewing van die geregtigheid, regverdigheid, kompleks van regsreëls. 3. Iets wat iemand toekom of waarop iemand kan aanspraak maak. 4. Wetlike of sedelike bevoegdheid, reg in subjektiewe sin. 5. Regsgeleerdheid. 6. Belasting.
Uit Ndl. recht (al Mnl. in bet. 1 - 3, 1502 in bet. 4, 1555 in bet. 5, 1556 in bet. 6). Ndl. recht (al Mnl.) as s.nw. is die selfst. gebruik van die b.nw. recht. Die bet. van Mnl. recht (as s.nw.) was aanvanklik i) regte lyn of rigting, ii) goeie toestand, orde, iii) juiste rigting of plek, iv) dit wat ooreenstem met die Wet van God, v) 'n uit die sedelike wêreldorde voortvloeiende plig, en dan eers die bet. 1 - 3 hierbo.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

recht, rech, resjt, alleen bij Voorzanger en Polak: rescht: 1): vereist, juist, goed; recht leggen van een overledene: in de voorgeschreven houding leggen (met de armen langs het lichaam, de voeten in de richting van de deur en het hoofd onder een herinneringslampje); (iron.) de rechte soort!: dat is niets voor hem, kun je net denken! 2): recht hebben: gelijk hebben; rechthaberij: eigenwijsheid; rechthaber: wijsneus, eigenwijs persoon | < Jidd. < Mhd. reht ■ “Gieteltje, doe host aach recht”: niets aan te doen, heb maar geduld, maak je maar niet kwaad en schik je in het onvermijdelijke.
De anekdote waarop deze uitdrukking berust is bekend in vele variaties. Ziehier de versie van Voorzanger & Polak: Een echtpaar leefde als kat en hond. Na de zoveelste ruzie kwam de man verbitterd zijn hart uitstorten bij de rabbijn. Deze hoorde hem geduldig aan en bedaarde hem tenslotte door hem gelijk te geven: “Ir het recht.” Koud was de man vertrokken, of de vrouw kwam binnen, tot het uiterste getergd. Ook na haar bittere tirade werd ze gerustgesteld met het oordeel, dat zij “recht” (gelijk) had. Dit werd de rebbetseente (rabbijnsvrouw) Gieteltje te machtig. Zij wees haar man op het zonderlinge van zijn houding, waarop hij antwoordde: “Gieteltje, doe host aach recht!”

— Moeder was gaan zitten in een rijtuig dat “losgekoppeld” was en dat natuurlijk gewoon was blijven staan, toen de trein wegreed. Moeder kon uitstappen! Betje kon haar hoedendoos weer, Raatje haar koffertje, Schoontje haar zakdoek met kokelekootjes en sinaasappelen, Sammie zijn trommel met zoetgoed en Elie moeder’s sjabbesjapon opnemen. En allen konden ruim een uur wachten op de volgende trein naar Utrecht. Door schade en schande wordt men wijs en door vragen, ja zelfs door “vervelend veel vragen” zorgde Brammie nu dat zijn vrouw in de “rechte coupé” plaats nam. (A.M. REENS, 1905)
— “En nou is ’t uùt!” “Heel recht,” riepen een paar vrouwen. “Za’k starreven, da’j geliek ebben,” riep Hartog Spier, “‘t kump niet te passe...” (SAM. GOUDSMIT, 1907)
— Wanneer de laatste ademtocht is uitgeblazen, wacht men enige minuten. Dan legt men een veertje onder de neus en op de mond en let er nauwkeurig op, of het onbewogen blijft liggen. Men mag ook een heel dun vleugje watten daarvoor gebruiken. Zo laat men het lichaam een kwartier liggen. Het onbewogen blijven van veertje of watten is een zeker bewijs, dat het lichaam niet meer ademt. Zodra men zich daarvan heeft overtuigd, bedekt men het aangezicht van de overledene met een doek en zegt: “Baroech Ata, Adonai, Melech ha’Olam, Dajan Emet” (Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning des Heelals, Rechtvaardige Rechter). Vervolgens maakt men een kleine inscheuring in zijn kleding. Daarna sluit men de ogen en de mond van de overledene en legt hem op stro op de grond. Op Sjabbat en Jomtow is het zgn. “recht leggen” van een lijk niet geoorloofd; men mag slechts de mond zodanig binden, dat deze zich niet verder opene. (A. SALOMONS JR, 1956)
— Toen Josua over de beklinkerde, breede binnenplaats met de doodstille, lage huizekes, bukkend als onder de vracht der gesmeed-ijzeren lantaarns, de Portugeesche Synagoge, zacht-op-de-teenen insloop, was de plechtige avonddienst van ingaand Nieuwjaar nog niet begonnen.
De rechte soort... hij, en te laat! (IS. QUERIDO, 1931)
— De oren toeteren ze je vol, dat je moet strijden voor een betere toekomst. Och, maak ’n vuist as je geen hand heb! As je maag leeg is, dan loopt de toekomst niet verder dan tot aanstaande sjabbes - misschien hebben ze recht, misschien hebben ze onrecht - maar as me de een wat belooft voor andere week, en de andere helpt me voor vandaag, dan zeg ik blijf gezond tot de een en ik laat me helpen van de ander... (S. VAN DEN EEWAL, CA. 1908)
— Kostelijk, die rechthaberij...... Twee droppelen water oom Salomon. Al wat hij voorspelde kwam averechts uit...... (IS. QUERIDO, 1931)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

recht (burgerlijk --) (vert. van Latijn ius civile); (geschreven --) (vert. van Latijn ius scriptum); (goddelijk --) (vert. van Latijn ius divinum); (ongeschreven --) (vert. van Latijn ius non scriptum); (publiek --) (vert. van Latijn ius publicum)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

recht, onrecht hebben

Oorspronkelijk was (on)recht hebben (N. ‘(on)gelijk hebben’) geen germanisme. Het werd trouwens reeds in de 16e eeuw gebruikt.

Nochtans wordt het nu als een germanisme (D. ‘recht, unrecht haben’) aangevoeld. Het is niet zeer gebruikelijk: de meeste woordenboeken hebben het niet eens opgenomen. Slechts Koenen aanvaardt onrecht hebben als synoniem van ‘ongelijk hebben’. Recht hebben aanvaardt hij echter niet!

Geen van beide mag men als ingeburgerd beschouwen.

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

[Nederlandse woorden in joodse omgeving]
recht in Joodse kringen gebruikt: je hebt recht = je hebt gelijk.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

[Judaeo-Nederlands]
recht, je hebt recht in Joodse kringen gebruikt: < jidd. < hd. je hebt gelijk.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

recht, onrecht. ― In zegswijzen als Sie haben recht, ich gebe Ihnen recht, mir ist es recht zou het Nederlandsch het woord recht niet dulden, maar de volgende vertaling eischen: gij hebt gelijk of gij hebt het wel voor, ik geef u gelijk, mij is ’t om het even of voor mij is ’t goed.
|| Dat die onbegrepen wijsgeer wel degelijk recht had, welk verstandig mensch zal het loochenen, als hij enz., P. d. M. in De Toekomst, 35, 246. Ik zeide: niet de lijn, bijna niets dan de kleur merkt Aletrino op. Heb ik wel recht zoo te spreken? 36, 194. “Bij gód, vrouw, je heb rech” enz., S. Goudsmit in Zelfkeur, I, 329.
Onrecht, D. unrecht, in het Nederlandsch ongelijk, is eveneens een germanisme; er hat unrecht = hij heeft ongelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

recht ‘gerechtigheid’ ->? Indonesisch réh ‘regel, regulering’; Negerhollands recht, regt ‘gerechtigheid’; Sranantongo leti (ouder ook: reti) ‘gerechtigheid’; Saramakkaans leti ‘gerechtigheid’; Surinaams-Javaans rèh ‘gerechtigheid, bevoegdheid, bestuur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

recht* gerechtigheid 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1121. Waar niets is, verliest de keizer zijn recht,

d.w.z. op iemand, die niets bezit, kan niets worden verhaald; hem, die niets heeft, kan men niet dwingen te betalen; eene zegswijze die in zeer vele talen voorkomt en wellicht eene herinnering bevat aan het recht van keurmede, eene hofrechtelijke opbrengst, het beste stuk uit de nalatenschap van een hoorige (keurmedige) door den heer krachtens zijn recht te kiezen; zie het Mnl. Wdb. III, 1865. In Bouc v. Sed. 883 wordt deze gedachte uitgedrukt door: Die niet en hevet, van sinen goede mach men calengieren niet. Bij Goedthals, 34: Daer niet en is schelt den bailliu de boete quyte, la ou ny a que prendre, le roy perd son droit; qui rien n'ha, rien ne doibt (vgl. Vad. Mus. V, 372); bij Servilius, 7*: daer niet en is daer verliest de heere syn recht (Huygens, V, 83); bij Campen, 85: daer niet te nemen is, verliest de Koninck syn Recht. In Mergh, 8; Van Moerk. 299; Snorp. 33 en bij Tuinman I, 139 vinden we de spreekwijze in den tegenwoordigen vorm. Vgl. fr. où il n'y a rien, le roi perd ses droits; eng. where nought is to be had the king must lose his right; where nought is to be got, kings lose their scot; hd. wo nichts ist, hat der Kaiser sein Recht verloren; voor het Nederduitsch vergelijke men Taalgids V, 182. Zie ook De Cock1, 67; Waasch Idiot. 338 b: waar niets is verliest de keuning zijn recht; Joos, 168: waar niets is verliest de baljuw zijn boet; Antw. Idiot. 635; Zwolsche Herdr. 14-15, bl. 118; fri. wer net is ferliest de keiser syn rjucht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal