Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

recht - (niet gebogen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

recht 1 bn. ‘niet gebogen’
Onl. reht ‘niet gebogen; juist, rechtvaardig’ in Rehnussi Godes retha ‘de oordelen van God zijn juist’, that ... neruuerthet (lees: ueruuerthet) fan nuege (lees: uuege) rechta ‘opdat jullie niet afdwalen van het rechte pad’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], thie rechte minnon thich ‘de rechtvaardigen hebben je lief’ [ca. 1100; Will.]; mnl. recht ook ‘wettig’ in rechte borghe ‘wettig onderpand’ [1283; VMNW]. Voor de vergrotende trap rechter in de betekenis ‘zich aan de rechterkant bevindend’, zie → rechts.
Os. reht (mnd. recht); ohd. reht (nhd. recht); ofri. riucht, riocht (nfri. rjocht, rjucht); oe. riht (ne. right); on. réttr (nzw. rät ‘recht’, rätt ‘juist’); got. raihts; alle ‘rechtop, recht; juist, werkelijk, waarlijk e.d.’, < pgm. *rehta-. Hiervan afgeleid is → richten.
Verwant met: Latijn rēctus ‘recht’; Grieks orektós ‘recht’; Avestisch rašta- ‘gestrekt’; < pie. *h3reǵ-t-, afleiding van de wortel *h3reǵ-, h3rǵ-, h3roǵ-, h3rēǵ- ‘strekken’ (LIV 304), waaruit: pgm. *rekan- ‘harken’ (zie → riek); Latijn regere ‘richten; leiden, besturen’ (zie → regeren); Grieks orégein ‘strekken, reiken’; Sanskrit rjú ‘recht’, rñjate ‘zich uitrekken’; Avestisch ərəzu- ‘recht’; Oudiers atraig ‘zich verheffen’; Litouws ręžti ‘spannen’. Bij deze wortel horen ook → rekken (oorspr. een causatief) en → rijk 2 ‘vermogend’ (rekkingstrap). Zie ook → reiken en → rekenen.
In alle Germaanse talen betekent of betekende het woord zowel ‘niet gebogen’ als ‘juist, werkelijk, waarlijk’. Gelet op de verwante woorden in de andere Indo-Europese talen is de betekenis ‘niet gebogen’ de oudste. De uitbreiding naar ‘juist’ ligt voor de hand en komt in veel talen voor. In het Germaans ontwikkelde de betekenis ‘juist’ zich verder tot ‘rechtvaardig’ en vervolgens tot ‘wettig’, doordat wetten in het algemeen bedoeld zijn om rechtvaardigheid te creëren. In het Nederlands is bij het bn. alleen de betekenis ‘niet gebogen’ blijven bestaan; de overige betekenissen leven voort in het zn.recht 2 en in de afleiding → terecht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

recht1* [niet gebogen] {oudnederlands reht 901-1000, middelnederlands recht} oudsaksisch, oudhoogduits reht, oudengels riht, oudnoors rēttr, gotisch raihts; buiten het germ. latijn rectus, grieks orektos [gestrekt], oudiers rigid [hij strekt], welsh rhaith [wet], litouws ręžti, rąžyti [rekken], lets ruozīties [zich rekken], verwant met rekken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

recht 1 bnw., mnl. recht, onfrank. os. ohd. reht, ofri. riucht, oe. riht (ne. right), on. rēttr, got. raihts ‘rechtop, recht (ook overdrachtelijk)’. — lat. rectus, gr. orektós, av. rāšta ‘recht’ (IEW 856). — Zie verder: rekken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

recht I bnw., mnl. recht. = onfr. ohd. rëht (nhd. recht), os. rëht, ofri. riū̆cht, ags. riht (eng. right), on. réttr. got. raíhts “rechtopstaand, recht” (met allerlei overdr. bett.). = lat. rêctus “recht”, gr. orektós “opgericht, overeind”, av. rašta- “geordend”. Gesubstantiveerd: ier. recht, kymr. rhaith “wet”. Deelw. van den verbaalstam idg. (o)reĝ-. Zie rekken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

recht I bnw. Ier. recht ‘wet’ is een u-stam en dus formeel met het onder recht II znw. genoemde on. rêttr te vergelijken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

recht bijv., Mnl. id., Onfra. en Os. reht + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. recht), Ags. riht (Eng. right), Ofri. riuht, On. réttr (Zw. rätt, De. ret), Go. raihts + Zend rāšta, Gr. orektós, Lat. rectus, Oier. recht: een partic. afleid. van wrt. reǵ : z. rekken. De bet. behoorlijk bestaat alleen in ʼt Westgerm., die van dexter alleen in ʼt continent. Germ. Voor rechten z. richten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

rêrig bw.
Regtig.
Sametrekking van die reduplikasievorm reg-reg. Eerste optekening in vroeë Afr. by Teenstra (1830) en Boniface (1832) in die vorm reg-reg (Boshoff - Nienaber 1967), waarna in Afr. by Changuion (1844) in die vorm reg-reg en by Mansvelt (1884) in die vorm rêrig.

1reg b.nw.
1. Nie gebuig nie. 2. Nie skeef nie. 3. In ooreenstemming met die eise van geregtigheid of moraal of van omstandighede. 4. Juis, net, presies. 5. Volslae of volledig. 6. Soos wat as normaal beskou kan word. 7. Wat die korrekte standpunt huldig.
In bet. 1 - 6 uit Ndl. recht (al Mnl. in bet. 1 - 4, 1550 in bet. 5, 1657 in bet. 6). Bet. 7 is 'n leenbetekenis van Eng. right (888) 'gelyk' (soos in a person is right). Bet. 5 is tans in Ndl. verouderd, en die jongste sitaat in WNT is 1870. In Afr. is bv. iemand is 'n regte skobbejak alg. Bet. 7 word al deur Changuion (1844) en Mansvelt (1884) aan Eng. invloed toegeskryf.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1985 in bet. 5).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

reg: b.nw./bw., juis, korrek; gereed; reguit; Ndl. recht (Mnl. recht), Hd. recht, Eng. right, uit Lat. rectus, “regop, reguit; behoorlik; wettig”; hieruit ook s.nw. reg, “justisie, regspleging; alg. wet”; Ndl. recht (Mnl. recht), en ww. reg, “regspleging doen”; Ndl. rechten en richten (Mnl. rechten/richten, “rigting gee; reg doen”).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Recht (bijv.nw.) is als deelw. gevormd van den Idg. wt. reg = sturen, richten; vgl. ’t Lat. regere, ons: regeeren; verder: zich in een rechte lijn uitstrekken, evenals ons rekken (z. d. w.). In de bet. van rekken wil recht dus zeggen: niet afwijkend van de gestrekte richting, dus: niet krom. Zoo verkreeg recht ook de bet. van: in de goede richting gaande, juist, behoorlijk, billijk. Hiervan komt het z.nw. recht: wat goed, billijk is.
Uit de bet. van sturen, richten, leiden (zie boven) komt rechten of richten, waarvan rechter en richter = de bestuurder, de leider van een rechtszitting; de schepenen daarentegen moesten het oordeel, de straf bepalen. Mogelijk is rechten, richten ook uit recht (z.n.w.) ontstaan: recht spreken, recht uitoefenen. – Bij dit rechten, richten behoort ook: gerecht, gericht = 1°. de rechtsspraak, de rechtsoefening, en 2°. de gezamenlijke rechters: gericht houden over iets; bij het gerecht aanklagen; voor het gerecht (de rechters) verschijnen.
In rechtvaardig heeft varen de algemeene bet. van gaan; rechtvaardig is dus: wat recht gaat, evenals hoovaardig: wat hoog gaat (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

recht ‘niet gebogen; juist’ -> Zweeds till rätta ‘in goede staat’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins rehti ‘eerlijk, ordentelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch † rekte ‘rechtuit (van het roer)’; Creools-Portugees (Malakka) rétu ‘niet gebogen’; Negerhollands recht, rek, ret, tret, regt ‘niet gebogen’; Berbice-Nederlands rekti ‘niet gebogen’; Papiaments rècht ‘niet gebogen’; Sranantongo leti (ouder ook: reti) ‘niet gebogen; juist’; Saramakkaans leti ‘gelijk, juist’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † tret ‘niet gebogen’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

recht* niet gebogen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1916. Recht en slecht,

meestal slecht en recht, d.i. eenvoudig; eig. rechtuit, oprecht en eenvoudigVoor deze beteekenis van slecht vergelijke men de slechte (kalme, effene) zee; eene vesting slechten; westvl. slechten, het geploegde land breken en effen maken met de egge; slechtweg; iets beslechten (hd. schlichten); het fri. het slecht, de kleine steentjes; Zaansch het slechtje (Boekenoogen, 931)., doch de beteekenis van slecht is overheerschend geworden (zie no. 882); fri. rjucht en sljucht; gron. slicht en recht (Molema, 380 b). Vgl. Plant.: Slecht ende recht, simple et droict, sans malice; Kil.: Slecht ende recht mensch, sincerus, simplex, apertus; R. Visscher, Sinnepoppen, 2de Schock, X: De menschen in de gulden eeuwe waren slecht en recht; Spieghel, 275: slecht en recht; 97: recht en slecht; Vondel, Salomon, 1238: slecht en recht; Huygens, Hofw. 2415: t Hollands slecht en recht; Brederoo II, 159; Van Moerk. 117; Br. v. Abr. Bl. I, XXIII. Ook in het Oostfri. slecht un recht weg; hd. schlecht und recht; recht und schlecht; schlechthin; fri. sljuchtwei. In Zuid-Nederland onbekend. (Aanv.) In sommige streken van Zuid-Nederland is slecht = eenvoudig wèl bekend.

1918. Recht door zee gaan,

d.w.z. niet langs slinksche wegen gaan, geen omwegen gebruiken, eerlijk en oprecht zijn. Zie Winschooten, 244: Regt door see gaan, beteekend oneigendlijk, niemand ontsien: doen soo het behoord; De Brune, Bank. II 177; 302: Een onbewust ghemoed gaet recht ter zee, zonder kromstreken, of om-weghen te ghebruycken; Huygens, Zeestraet, vs. 128: Recht uyt door zee gaen; Tuinman I, 142: Dit zegt men van ymand die geene omwegen, noch kromme strecken gebruikt, maar onbeschroomt, zonder iets te wyken of te myden, doorstreeft; Van Effen, Spect. V, 31: Met een beproeft vriend moet men regt door zee gaan; Harreb. II, 495 a.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

reg̑-1 ‘gerade, gerade richten, lenken, recken, strecken, aufrichten’ (auch unterstützend, helfend); Richtung, Linie (Spur, Geleise) u. dgl., bildet idg. weder Wurzelpräsens noch Perfekt; Partiz. Perf. Pass. reg̑-to- ‘Gesetz’, rog̑i- ‘Reihe’, róg̑o-s ‘Aufrichtung’, rog̑ó-s ‘aufgerichtet’, rēg̑-s ‘König’, rēg̑(e)nī ‘Königin’, rēg̑i̯o- ‘königlich’, rēgi̯om ‘Herrschaft’

Ai. ŕ̥jyati, nasaliert r̥ñjáti ‘streckt sich, eilt (von Pferden)’; wohl auch irajyáti (mit unklarem i-) ‘ordnet an, verfügt’; r̥jú-, av. ǝrǝzu- ‘gerade recht’ (dazu ǝrǝzuš ‘Finger’, Gen. ǝrǝzvō), Kompar. Superl. ai. rájīyas-, r̥jīyas- ‘gerader’, rájiṣṭha-, av. razišta- ‘der Geradeste, Gerechteste’;
ai. r̥jrá- von Pferden = r̥ju-gāmin, r̥jrāśva-, av. ǝrǝzrāspa- EN eig. ‘dessen Rosse geradaus eilen’, woneben Kompos. form *r̥ji- in r̥ji-pyá- (2. Glied unklar) ‘geradaus emporschnellend’ (Beiwort von śyēná- ‘Adler, Falke’), av. ǝrǝzi-fya- m. ‘Adler, Name eines Berges oder Gebirges’, bei Hes. ἄρξιφος (d. i. ἄρζιφος)· ἀετὸς παρὰ Πέρσαις, arm. arciv (*arcivi) ‘Adler’ (daneben *r̥ju-pya-, ap. *ardufya- in npers. āluh ‘Adler’, vgl. gr. αἰγυπιός, wenn volksetymologisch nach αἴξ aus *ἀργυπιός umgestaltet); r̥ji-śvan- EN eig. ‘mit schnellen Hunden’, vgl. im Griech. ἀργός (aus *ἀργ-ρος diss.) ‘schnell’, oben S. 64;
ai. rají- ‘sich aufrichtend, gerade’, ráji- RV etwa ‘Linie, Reihe’ (= mnd. reke unten S. 856); rájas- (av. razah-) n. ‘Raum’;
av. raz- (rāzayeiti, Partiz. rā̆šta-, gr. ὀρεκτός, lat. rēctus, got. raíhts; av. rāštǝm ‘in gerader Richtung’) ‘richten, gerade richten, ordnen’, razan- ‘Ordnung, Satzung’, rašnu- ‘gerecht’ (vgl. gr. ὀρέγνῡ-μι), wohl auch razura- n., razurā f. ‘Wald’, rāzarǝ, rāzan- ‘Gebot, Anordnung’; rasman- m. n. ‘Schlachtreihe’ (: gr. ὄρεγμα, lat. regimen);
ai. rāj- (Nom. Sg. rā́ṭ) ‘König’ (= lat. rēx, air. , s. auch got. reiks), rā́jan- ds., rā́jñī ‘Königin, Fürstin’, rā́ṣṭi, rā́jati ‘ist König, herrscht, glänzt’ (Denominativ), rājyá- ‘königlich’ (= lat. rēgius, vgl. auch ahd. rīhhi), rājyá-, rā́jya- n. ‘Herrschaft’ (= mir. rīge, vgl. auch got. reiki), rāṣṭrī ‘Herrscherin’, rāṣṭrá- n. ‘Herrschaft, Reich’, av. rāstar- ‘Lenker, Leiter’;
arm. arcvi s. oben; unsicher thrak. PN Ῥῆσος;
gr. ὀρέγω (ὀρέγνῡμι nur im hom. Partiz. ὀρεγνύ̄ς) ‘recke’ (ὀρεκτός = av. rašta- usw.), ὀριγνάομαι ‘strecke mich, lange, reiche’ (ὀ- ist Präfix), ὄργυια oder ὀργυιά, ion. ep. ὀργυιή ‘Klafter’, ὀρόγυια ds. (wohl aus *ὀρέγυια ass.); im Kompositum ὠρυγ-, z. B. δεκώρυγος; ὄρεγμα (= av. rasman-) ‘das Recken der Hände, der Füße (Schritt); Darreichen’; über ἀρήγω s. unten beim Germ.; über ἀργός s. oben;
venet. Reitia ‘Geburtsgöttin (vgl. gr. ᾽Ορθία), die die Kinder in die richtige Lage bringt’ oder ‘Göttin der Erektion?’;
lat. regō, -ere, rēxī, rēctum (ē sekundäre Dehnung) ‘gerade richten, lenken, herrschen’ (= ὀρέγω, ὀρεκτός), ērigo ‘richte auf (= ir. ēirgim ‘surgo’) usw.; über pergō, porrigō, surgō, Adv. corgō, ergō, ergā s. WH. s. vv.), regiō ‘Richtung, Linie; Strich, Gegend’, rēgula ‘Richtholz, Linie; Richtschnur, Latte’ usw., rēgillus ‘mit senkrechten Kettenfäden gewebt’; osk. Regaturei ‘Rectōri’? (von einem Verbum *regāre); lat. rogō, -āre ‘(die Hand ausstrecken =) ersuchen, bitten, fragen’; rogus ‘Scheiterhaufen’ (gr. sizil. ῥογός ‘Getreidescheune’ ist lat. Lw.) wohl eig. ‘aufgerichteter Stoß’ (= germ. *rakaz); rēx, rēgis ‘König’ (= ai. rāj- usw.), rēgīna ‘Königin’ (marr. regen[ai] Dat.), rēgius ‘königlich’ (= ai. rājya-);
lat. rigeō, -ēre ‘starren, starr, steif sein’, rigidus ‘starr, steif’, rigor ‘die Starre, bes. vor Kälte; die Kälte’ (diese spez. Bed. vielleicht durch frīgus begünstigt); ob für *regēre nach ērigĕre?;
air. reg-, rig- ‘austrecken, z. B. die Hand’, Perf. reraig (*re-rog-e) ‘direxit’; *eks-reg- (: lat. ērigō) z. B. in at-reig ‘erhebt sich’, ēirge ‘surrectio’; ablaut. air. rog(a)id ‘streckt aus’, mcymr. rho ‘Gabe’, rhoï ‘geben’; mcymr. dy-re ‘steht auf’, dy-rein ‘sich erheben’, rhein ‘steif, gereckt’ (: mir. rigin ds.), acymr. ar-cib-renou ‘sepulti’, mcymr. ar-gyu-rein ‘Begraben’ (*are-com-reg(i)-no) usw.; mir. rēn ‘Spanne’ (*reg-no-); air. recht (tu-St.), cymr. rhaith ‘Gesetz’, bret. reiz ‘Ordnung, Gesetz, Recht’, gall. Rectu-genus; air. rī-, Gen. rīg ‘König’ (= ai. rāj-, lat. rēx), cymr. rhi ‘Fürst’, gall. Catu-rīx, Pl. -rīges eig. ‘Leute des C.’, Rīgo-magus eig. ‘Königsfeld’ (acorn. ruy, mbret. roe, nbret. roue ‘König’ wohl frz.), air. rīgain ‘Königin’ (*rēg̑e =) cymr. rhiain ‘Königin, Dame’; mir. rīge n. ‘Königreich’ (*rēg̑i̯om); air. rīched n. ‘Königreich’ (*rēg̑i-sedom);
got. raíhts, aisl. rēttr, ags. riht, as. ahd. reht ‘recht, gerade’ (= av. rašta- usw.), got. ga-raíhtjan, ahd. rihten usw. ‘richten’; aisl. rēttr, Gen. rēttar ‘das Recht, Gesetz, Gericht’ (= kelt. *rektu-; wgrm. durch das n. des Partiz. ahd. usw. reht ‘Recht’ ersetzt); got. rahtōn ‘darreichen’; Kaus. got. uf-rakjan ‘in die Höhe recken, ausstrecken’, ahd. recchen ‘ausstrecken, erheben, reichen, verursachen, sagen, erklären’, nhd. recken, as. rekkian ‘erzählen, erklären’, ags. reccan (reahte) ‘ausstrecken, leiten, erklären, rechnen’, aisl. rekja ‘strecken, ausbreiten, erklären, verkünden’ (z. T. iteratives *rakjan unter Verdrängung von *reg̑ō, z. T. Denominativ); aisl. rakna ‘ausgestreckt werden, zur Besinnung kommen’;
ags. racu f. ‘Flußbett, Lauf’, engl. rake ‘Bahn, Weg, Geleise’, ags. racian ‘laufen, leiten, lenken’, aisl. rekja spor ‘die Spur verfolgen’, mnd. reke f. (*raki) ‘Reihe, Ordnung’, raken ‘treffen, erreichen’; ags. racu f. ‘Erzählung, Bericht’, as. raka, ahd. rahha ‘Rechenschaft, Sache’, aisl. rǫk Nom. Pl. ‘Ursprung, Ursache, Grund’; aisl. rakr, fries. mnd. rak ‘gerade, recht’ (= lat. rogus); e-stufig: mhd. gerech ‘wohlgeordnet’, as. rekōn ‘richten, ordnen’, mnd. reken ‘richtig, unbehindert, often’, ahd. rehhanōn ‘ordnen, rechnen, Rechenschaft ablegen’, ags. ge-recenian ‘erklären’, engl. reckon ‘wofür halten’; ags. recen ‘schnell, bereit’; aisl. land-reki ‘König’, ahd. anet-rehho ‘Enterich’; ob mit der Anschauung der zum Zusammenscharren ausgereckten Hand die Sippe von got. rikan ‘anhäufen’, mhd. rechen ‘zusammenscharren, anhäufen, sammeln’, aisl. raka, mnd. raken (*rakēn) ‘(zusammen)scharren’, aisl. reka, ahd. rehho ‘Rechen, Harke’, as. reka f. ‘Rechen’, as. raka, ags. racu, schwed. raka f. ds., ē-stufig: norw. dial. raak f. ‘Spur, Streif, Furche, Reihe’, isl. rāk f. ‘Streif’ (vgl. ai. rāji-, rājī ‘Streifen, Reihe’) hierher gehört, ist zweifelhaft; durch Entlehnung aus dem Kelt. vor der Mediaverschiebung: got. reiks ‘Herrscher, vornehm, mächtig’ (kelt. rīg-s), aisl. rīkr ‘mächtig’; ahd. rīhhi, as. rīki, ags. rīce (kelt. *rīgi̯o-) ‘mächtig, vornehm, reich’, nhd. reich; got. reiki, ahd. rīhhi ‘Reich’ (kelt. *rīgi̯on);
ō-stufig, mit aus ‘aufrichten, helfen’ entwickelter Bed.: aisl. rǿkja, ags. reccan (für*rēcan nach reccan ‘ausstrecken’; aber Prät. rōhte), as. rōkian, ahd. geruohhen ‘Sorge tragen, Rücksicht nehmen’, ahd. ruoh, ruohha ‘Achthaben, Bemühung, Sorgfalt’, mnd. rōke m. ds., mhd. ruochlōs, ags. rēcelēas (nhd. ruchlos, engl. reckless) ‘unbekümmert, sorglos’, aisl. rǿkr ‘sorgsam’, die mit gr. ἀρήγω ‘helfe, stehe bei’, ἀρηγών, -όνος, ἀρωγός ‘Helfer’, ἀρωγή ‘Hilfe’ sich engstens zusammenschließen;
nasaliert (vgl. das Lit., auch ai. r̥ñjáti): ags. ranc ‘gerade, stolz, kühn’, mnd. rank ‘schlank, dünn, schwach’ (*gereckt), aisl. rakkr ‘schlank, aufrecht, kühn’; as. ags. rinc, aisl. rekkr ‘Mann’;
lit. nasaliert žem. rę́žious, rę́žtis ‘sich recken’, ablaut. rą́žaus, rą́žytis (16. Jh. ranszies), rąžà f. ‘Recken’, lett. ruôzîtiês ‘sich recken’; russ. su-rázina ‘gute Ordnung’;
toch. A räk-, rak- ‘hinbreiten, bedecken’, В räk- ds., A rkäl ‘Decke’.

WP. II 362 ff., WH. II 426 f., 432 f., 434 f., Wissmann Nom. Postverb. 106, Trautmann 244.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal