Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ras - (snel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ras 2 bn. ‘snel’
Mnl. rasch ‘snel; krachtig, stevig’ in Dat bloet ut harre wonden spranc So rasch ... Dat sijt gestelpen nit ne conden ‘het bloed stroomde zo snel uit hun wonden dat zij het niet stelpen konden’ [1265-70; VMNW], Dauid die snel was ende rasch ‘David die snel en rap was’ [1285; VMNW], Hi ward soe rasch in sijn slaen Dat ‘hij sloeg er zo hard op los dat’ [1300-50; MNW-R]; vnnl. rasch loopen [1573; Thes.], ras int loopen [1596; iWNT].
Mnd. rasch ‘vlug, vaardig’; ohd. rasc ‘id.’ (nhd. rasch); ne. rash ‘roekeloos, ondoordacht’; on. röskr ‘dapper’ (nzw. rask ‘snel’); < pgm. *rasku-. Wrsch. uit een afleiding *raþsku- van *raþa- ‘snel’, zie → rad 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ras5* [snel] {rasch, rassche 1265-1270} oudhoogduits rask, oudnoors rǫskr [krachtig], verwant met oudiers rethim [ik loop hard], maar overigens van een weinig zekere etymologie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ras 4 bnw., mnl. rasch, ras ‘vlug; levendig, flink, sterk’, mnd. rasch, ohd. rasc (nhd. rasch) ‘vlug, vaardig, handig’, ne. rash ‘roekeloos, ondoordacht’ (of ontleend aan mnl. of mnd. vgl. Bense 317), on. rǫskr ‘dapper, flink’.

De etymologie is onzeker. 1. Wegens on. rǫskvask ‘opgroeien, rijpen’, got. gawrisqan ‘vrucht dragen’ verbonden met oi. várdhati ‘groeit, vermeerdert zich’, vṛddhá- ‘volgroeid, groot’, gr. orthós ‘rechtop, recht, waar’, alb. rit ‘groeien’, asl. rodŭ ‘geboorte, geslacht’ (IEW 1167 twijfelend). — 2. < germ. *raþska- een afl. van *raþa, zie daarvoor: rad 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ras IV bijw. Opzettelijk gemaakte spellingvariant naast het bnw. rasch, mnl. rasc “vlug, levendig, strijdlustig, flink, krachtig”. Later-mnl. komt reeds de spelling ras voor, als bnw. en bijw. = ohd. rasc “vlug, vaardig, handig, sterk” (nhd. rasch), mnd. rasch “id.”, eng. rash “roekeloos, ondoordacht”, on. rǫskr “kloek, dapper”. Oorsprong onzeker. Mogelijkheden: 1. idg. *rot-sqo-, -squ-, -sqwo-, verwant met rad I en rad II, — 2. verwantschap met razen,— 3. verwantschap met ohd. raskezzen, “singultire, scintillare”, os. raskiton “scintillare”, ags. rœscettan “knetteren, vonken spatten”, lîeg-rœsc m. “schittering, bliksem”. 3. is ’t minst waarschijnlijk en heel vaag; nog meer is dat de verdere combinatie met oi. rásati, rā́sate “hij brult, schreeuwt, huilt”. Bij elke etymologie kunnen ohd. rosc, reski “vlug, vaardig, kloek” als verwanten beschouwd worden. Vreemder echter is oudnnl. Teuth. mhd. mnd. risch “id.” (ook met de bett. “mager, bros”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ras IV bijw. Vgl. nog Schwentner PBB. 48, 84 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ras 4 bijw. (snel), gev. uit het adj. rasch.

rasch bijv., Mnl. rasc + Ohd. rosc, rasc (Mhd. resch, rasch, Nhd. rasch), Eng. rash, On. roskr (Zw. en De. rask), wellicht uit *rad-sk-, van rad 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ras, bn.: loslijvig, dunlijvig; droog, bros (van planten). Verschoven betekenis van Ndl. ras ‘vlug’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2ras b.nw. (ongewoon)
Gou, vinnig.
Uit Ndl. ras (Mnl. rasch).
D. rasch, Eng. rash 'onbesonne', Sweeds rask.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ras II: b.nw./bw., gou, snel, vinnig; Ndl. ras(ch) (Mnl. ras(ch), by Kil rasch, “snel”), Hd. rasch, “handig, vinnig”, Eng. rash, “roekeloos”; herk. onseker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Rasch beschouwt men als een verkorting van radsch = op radde, snelle wijze. Zie Rad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ras ‘snel’ -> Deens rask ‘fit, snel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors rask ‘snel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds rask ‘snel’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ras* snel 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal