Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pudding - (nagerecht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pudding zn. ‘nagerecht’
Vnnl. podding, poddingh ‘in een zak gekookte zoute of zoete spijs met meel, zuivel enz.’ in om een Poddingh te koken ... bindt het dan in een schoone doeck [1668; WNT], ‘diezelfde spijs in een vorm gekookt of gebakken’ in om een Poddingh te backen ... [1668; WNT], ‘worst, beuling’ in een swarte Podding of Bloed-beuling [1684; WNT]; nnl. ‘opgestijfde vla als dessert’ in de podding, blanc-mangé, de taart [1842; WNT], pudding “engelsch tafelgebak, pastei” [1864; Calisch], (in een advertentie) puddingen in blik en pudding-sausen [1879; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Engels pudding ‘zoete of zoute meelspijs’ [1670; BDE], ‘spijs gekookt in een zak’ [1544; OED], eerder al puddyng, poodyng ‘ingewanden, pens’ [1444; OED] en poding ‘beuling, bloedworst’ [1305; OED]. De verdere herkomst van dat woord is niet duidelijk. Mogelijk (OED, BDE) is het woord verwant met (zeldzaam) Oudengels puduc ‘krop, struma’, dat hoort bij een Germaanse wortel *pud- ‘zwellen’, mogelijk van klanknabootsende of klankaffectieve oorsprong, waarbij ook Westfaals puddek ‘bult, gezwel; worst’, Nederduits puddig ‘dik, log’, Engels pudgy, podgy ‘gezet’, Engels (dial.) pod en Schots pud ‘buik’. Meestal gaat men er echter vanuit dat pudding ontleend is aan Frans boudin ‘bloedworst, beuling’ [1680; TLF], ‘worst’ [1268-71; TLF]: de substitutie van Engels p- voor Frans of Latijn b- komt vaker voor, bijv. in purse ‘(geld)buidel’ < Frans bourse, Latijn bursa zie → beurs 1, en het bestaan van de hierboven genoemde woorden met pud- kan ook een rol hebben gespeeld (OED). De verdere herkomst van het Franse woord is evenmin helemaal duidelijk. De theorie dat boudin is ontleend aan een middeleeuws-Latijns woord *botellinus, verkleinwoord van klassiek Latijn botulus ‘worst’, zie → botulisme en → beuling, wordt tegenwoordig om redenen van klankontwikkeling algemeen verworpen (TLF, Rey). Wrsch. is boudin afgeleid van een Romaanse wortel *bod-, van klankaffectieve oorsprong, waarbij ook Oudfrans bodine ‘navel, buik’, Frans bedaine ‘dikke buik, pens’, en mogelijk Frans bouder ‘pruilen, dikke lippen maken’.
De vorm podding was tot het eind van de 19e eeuw nog heel gewoon, ook in de woordenboeken. Het is de weergave van de Nederlandse aanpassing van de Engelse uitspraak met de niet in het Standaardnederlands voorkomende korte /u/. De moderne spelling is overgenomen uit het Engels, waarbij een Nederlandse spellinguitspraak is opgekomen die de oude uitspraak met /o/ heeft verdreven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pudding [dessert] {podding [beslag van meel, niervet, e.d. in een doek gekookt] 1668, pudding [dessert] 1775} < engels pudding, stellig < frans boudin [bloedworst], hoewel formeel moeilijk te verbinden, wat uiteindelijk teruggaat op latijn botellum [pudding, worst, darmpje], verkleiningsvorm van botulus [worst, darm] (engels pudding betekent tevens ‘beuling’).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pudding znw. m., vroeger ook podding < ne. pudding sedert de 16de eeuw ‘meelpudding met vlees of vruchten’, maar vroeger betekende het ‘worst’ en is ontleend < fra. boudin ‘bloedworst’ < gallorom. *botellinus ‘van ingewanden gemaakt’ bij *botellus ‘ingewanden, pens’ naast lat. botulus ‘worst’.

Er is weinig reden om me. pudding als inheems te beschouwen en dan af te leiden uit een wortel *puð ‘opzwellen’, waarvoor zie: puit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

podding, pudding znw., later-nnl. Evenals hd., de., zw. pudding uit eng. pudding “pudding”, dat wel uit fr. boudin (van onzekere afkomst) “bloedbeuling, worst” wordt afgeleid (voor de bet. vgl. nog westf. puddek m. “klomp, pudding, worst”), maar ook wel van een germ. basis puð- “zwellen”, waarvan o.a. ook noordholl., fri., gron. pod(de) “padde” (door Kil. als “Holl.” vermeld), mnl. pudde v. (volgens Kil. “Fris.”) “puitaal”, mnl. puut (d) m. “kikvorsch” (nog vla., zeeuwsch) kunnen komen, benevens nd. puddig “opgezet, opgezwollen”, ags. puduc m. “kropgezwel”; zie verder bij puit. De ndl. vorm pudding is ontleend uit den geschreven eng. vorm, de uitspraak is vernederlandscht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

podding m., uit Eng. pudding, wellicht van Fr. boudin: z. beuling.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bodding, zn.: broodpudding. Vlaams ook pottink, door associatie met pot < podding, oudere vorm voor pudding < Me. poding, E. pudding ‘pudding, pastei, worst, beuling’ < Fr. boudin ‘worst’ < Gallorom. botellinus ‘van ingewanden’, afl. van Lat. botellus ‘ingewanden, pens’, dim. van botulus ‘worst’. F.A. Snellaert noteerde in Kortrijk puting ‘ingewand, maag van kabeljauw’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

boddink 1, zn.: broodpudding. Vlaams ook pottink, door associatie met pot < podding, oudere vorm voor pudding < Me. poding, E. pudding ‘pudding, pastei, worst, beuling’ < Fr. boudin ‘worst’ < Gallorom. botellinus ‘van ingewanden’, afl. van Lat. botellus ‘ingewanden, pens’, dim. van botulus ‘worst’. F.A. Snellaert noteerde in Kortrijk puting ‘ingewand, maag van kabeljauw’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

poddi(n)k, pottink, poetink, puddik zn. m.: ketelkoek, jan-in-de-zak. In de Vlaamse dialecten betekent podding, pottink ‘broodpudding’. De variant pottink door associatie met pot < podding, oudere vorm voor pudding < Me. poding, E. pudding ‘pudding, pastei, worst, beuling’ < Fr. boudin ‘worst’ < Gallorom. botellinus ‘van ingewanden’, afl. van Lat. botellus ‘ingewanden, pens’, dim. van botulus ‘worst’. F.A. Snellaert noteerde in Kortrijk puting ‘ingewand, maag van kabeljauw’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

poting, potijnk (G), pottink (Al, E, ZV), podding, -ink (B, ZO, ZV), boddink (Al), zn. m.: broodpudding. Ook Wvl. pot(t)ink, podding. Door associatie met pot < podding, oudere vorm voor pudding < Me. poding, E. pudding 'pudding, pastei, worst, beuling' < Fr. boudin 'worst' < Gallorom. botellinus 'van ingewanden', afl. van Lat. botellus 'ingewanden, pens', dim. van botulus 'worst'. F.A. Snellaert noteerde in Kortrijk puting 'ingewand, maag van kabeljauw'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

poeding s.nw.
Enigeen van verskeie geregte wat, soos nagereg, na 'n hoofmaaltyd geniet word.
Uit Eng. pudding (1544).
Eng. pudding uit Middelengels poding, puddyng 'tipe wors' uit Oudfrans boudin 'tipe wors' uit Latyn botellus 'wors, ingewande, afval'.
Vgl. Eng. black pudding 'wors met vark, varkbloed en vet'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

pottink (D, I, K, R), potink (R), poddink (O), zn. m.: broodpudding. Door associatie met pot < podding, oudere vorm voor pudding < Me. poding, E. pudding ‘pudding, pastei, worst, beuling’ < Fr. boudin ‘worst’ < Gallorom. botellinus ‘van ingewanden’, afl. van Lat. botellus ‘ingewanden, pens’, dim. van botulus ‘worst’. Snellaert (FS) noteerde in Kortrijk puting ‘ingewand, maag van kabeljauw’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poeding: nagereg; wsk. nie uit Ndl. (na Kil) podding/pudding nie, maar soos Ndl. uit Eng. pudding (wu. ook Fr. pouding en Hd. pudding); herk. v. Eng. pudding vlgs. NED onbek., hoewel dit ouer is as bv. Ndl. pod-/pudding en vroeër ook vleisbestanddele bevat het, met d. gevolg dat dVri J NEW se verkl. dat dit ’n ontln. is aan Fr. boudin, “bloedwors” (verb. m. Lat. botulus, “wors”) voorlopig m. voorbehoud betrag moet word.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pudding (Engels pudding)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

pudding [*poeding] zoet toetje dat in ieder geval bestaat uit een bindmiddel en melk, room of water, en een of andere smaakstof. In vele smaakvarianten, diktes of graden van stijfheid te kopen of maken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pudding ‘dessert van stijf geworden vla’ -> Noord-Sotho phuting ‘dessert van stijf geworden vla’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa pudini ‘dessert van stijf geworden vla’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe phudingi ‘dessert van stijf geworden vla’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho phuting ‘dessert van stijf geworden vla’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch podéng, poding, pudéng ‘dessert van stijf geworden vla’; Jakartaans-Maleis podeng ‘dessert van stijf geworden vla’; Javaans podheng ‘dessert van stijf geworden vla’; Madoerees podhēng, bodhēng ‘dessert van stijf geworden vla’ (uit Nederlands of Engels); Menadonees podèng ‘dessert van stijf geworden vla’; Soendanees podeng ‘dessert van stijf geworden vla’; Sranantongo pudun ‘dessert van stijf geworden vla’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pudding dessert van stijf geworden vla 1842 [WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal