Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

puberteit - (periode van volwassenwording)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

puber zn. ‘tiener, kind in periode van volwassenwording’
Nnl. puber ‘kind in de periode van volwassenwording’ [1913; NRC], de puber en de adolescent [1953; WNT Aanv. effectueeren].
Als term in de pedagogiek en psychologie ontleend aan het Neolatijnse bn. puber, variant van klassiek Latijn pūbēs (genitief pūberis) ‘volwassen, manbaar, met baardhaar’.
Latijn pūbēs is van onduidelijke herkomst. Mogelijk is het woord verwant met puer ‘jongen, kind’, zie → pedagogie. Ook wordt voor de eerste lettergreep wel gedacht aan verwantschap met Sanskrit pumā́n ‘man’.
puberteit zn. ‘periode van volwassenwording’. Nnl. puberteit ‘manbaarheid, huwbaarheid’ [1824; Weiland], kinderen voor de puberteit [1910; Groene Amsterdammer], ook in samenstellingen, zoals in de boektitel Onze groote kinderen; over opvoeding in de puberteitsjaren [1918; Picarta], tegenwoordig ook wel pubertijd [1990; NRC], zie onder. Ontleend, al dan niet via Frans puberté ‘periode na de kindertijd’ [1362-65; TLF], aan Latijn pūbertās (genitief -tātis) ‘volwassenheid, manbaarheid, mannelijke kracht’, een afleiding van het bn. pūbēs. Voor de uitgang zie → faculteit. De vorm pubertijd is ontstaan als foutieve spelling door volksetymologische herinterpretatie als samenstelling van puber en → tijd, maar is door verplaatsing van de klemtoon naar de eerste lettergreep inmiddels een vormvariant geworden, die inmiddels ook in de woordenboeken is opgenomen [2005; Van Dale]. ♦ puberen ww. ‘in de puberteit zijn, zich als een puber gedragen’. Nnl. puberen ‘in de puberteit komen en het daarvoor kenmerkende gedrag vertonen’ [1992; Van Dale], zo'n jongen is extreem onzeker en als hij gaat puberen ... [1993; Parool]. Afleiding van puber.
Lit.: D.Q. Adams (1985), ‘Sanskrit púmān, Latin pūbēs, and Related Words’, in: Die Sprache 31, 1

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

puberteit s.nw.
Periode waartydens 'n kind geslagsrypheid ontwikkel.
Uit Ndl. puberteit (1824).
Ndl. puberteit uit Fr. puberté uit Latyn pubertas, 'n afleiding van pubes 'volwassene', oorspr. 'n b.nw., wat identies is met Latyn pubes 'hare wat die bekken bedek (en dui op volwassenheid)'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

puberteit (Frans puberté)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal