Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prutsen - (knoeien, onhandig bezig zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

prutsen ww. ‘knoeien, onhandig bezig zijn’
Nnl. prutsen, prutselen ‘knoeien, onhandig bezig zijn’ [1893; Kuipers], te prutsen en met inkt te knoeien [1899; Groene Amsterdammer], ‘peuteren’ in aan dat pak te prutsen [1900-04; WNT], ook overdrachtelijk ‘knoeien’ in (over een opera) deze bewerking in elkaar ... geprutst [1917; Groene Amsterdammer].
Een jong woord, dat doet denken aan → prut ‘bezinksel, rommel’, dat ook een negatieve betekenis heeft. Het is daar wellicht van afgeleid. Zie ook → frutselen en → frunniken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prutsen* [knutselen, broddelen] {1878-1881 in de betekenis ‘borrelend koken’; de betekenis ‘knutselen’ 1896; de betekenis ‘broddelen’ 1901-1925} klanknabootsend, vgl. prut.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prutsen ww. eerst na Kiliaen bekend, daarnaast ook prussen en prossen ‘borrelend koken; knoeien, peuteren’. Daarnaast vinden wij Kampens prutsə ‘vuile boel’ en achterh. prüts ‘nietigheid’. Een affectief woord, enerzijds aan prossen herinnerend, anderzijds in associatie met prut en prul.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

prutsen ww., nog niet bij Kil., dial. ook prussen, prossen. Wsch. van prut gevormd: voor de bet. vgl. Kamp. prutsə “vuile boel”: achterh. prüts, elders pruts “nietigheid”. Associatie met pronselen en knutselen kan op de bet. invloed gehad hebben. N.Bev. prǒsə “met nat morsen” heeft nog een oudere bet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

prutsen. Met N.-Bev. prŏsǝ vgl. nog zovla. prossen ‘opborrelen van vuil water’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prutselen, prutsen o.w., intensieven van synon. dial. pruttelen en prutten + Hgd. prudeln: het zijn verscherpingen van broddelen, brodden, met dezelfde eigenlijke en overdrachtelijke bet.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prutsen* knutselen 1896 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal