Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prut - (dik bezinksel, modder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

prut zn. ‘dik bezinksel, modder’
Vnnl. prut ‘gestremde melk’ in Soo aen Melck, aen Room, aen Prut ‘zowel ...’ [1638; WNT prut II], ‘zachte brij’ in Een kalfsbout ... Dié is zo murf als prut [ca. 1668; WNT prut II]; nnl. prut ‘bezinksel in traan of olie’ in het dikke of grondsop, dat men prut noemt [1727; WNT prut II], ‘brij, pap’ in prut van maysmeel en room [1782; Vad.lett., 41], ‘slijk, modder, baggeraarde’ [1857; WNT prut II], ‘verdikte karnemelk’ [1864; Calisch], ‘koffiedik, koffiedrab’ [1887; WNT prut II], ook in samenstellingen als prutsloot ‘moddersloot’ [1897; WNT prut II], koffieprut ‘koffiedik’ [1897; WNT koffie].
Klanknabootsing van het geluid dat een weke massa of brij kan maken als die gist of kookt, als er iets in valt, enz.; de oorspr. betekenis is dus wrsch. ‘substantie die het geluid prut kan voortbrengen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prut* [koffiedik, brij] {1614 in de betekenis ‘weke massa’; de betekenis ‘koffiedik’ 1887} eig. ‘iets dat het geluid prut voortbrengt’, klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prut znw. v., ook bnw. ‘verdikt, bedorven’; eerst na Kiliaen, maar vgl. westf. prött, prütt ‘koffiedik, fri. prot ‘dikke brij, pap of moes’. Evenals bij prul drukt de klankverbinding pru- iets minderwaardigs uit, vgl. Zaans prut voor iets zeggen ‘iets lelijk vinden’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

prut znw., ook bnw. = “verdikt, bedorven”, nog niet bij Kil. Vgl. westf. prött, prütt “koffiedik”, fri. prot “dikke brij, pap of moes”. Wsch. bij portelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prut v., + Fri. prot = moes, Ndd. prütt = koffiedik: z. prutselen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

prat, pratsj, bratsj, zn.: vieze brij, modder, slijk, kleverige etensresten; gepeupel, gespuis. Ook Rijnlands pratsch. Klankexpressief pr-woord. Vgl. praddel en Ndl. en dial. prut. Afl. pratel ‘weke modder, poep’.

proetsj, protsj, prietsj, zn.: diarree. Klanknabootsend pr-woord. Vgl. proetsen. Afl. prietsjen ‘wegspuiten van natte blubber’.

prot 2, zn.: cichorei. Wvl. prut ‘cichorei’, ouder Ndl. preut ‘weke, drabbige massa’. Ndl. prut ‘koffiedik’, Westfaals prött, prütt ‘koffiedik’, Fri. prot, prut ‘moes’, Rijnl. prott, prutt ‘koffiedik’. Klanknabootsend woord.

prut, zn.: kut, vagina; etter. Hetzelfde woord als prot 2. Br. prut betekent ook ‘moer, slijk, modder’, Zvl. prut ‘natte viezigheid’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

prit, zn.: soort turf. Ontrond uit prut (zie i.v.).

prut 1, frut, zn.: cichorei, koffiedik; moer, slijk, modder; etter; kut, vagina. Zvl. prut ‘natte viezigheid’, Wvl. prut/frut ‘cichorei’. Ouder Ndl preut ‘weke, drabbige massa’. Ndl. prut ‘koffiedik’, Westfaals prött, prütt ‘koffiedik’, Fri. prot, prut. Klankexpressief woord. Let ook op de frequente pr/fr-wisseling.

prut 2, preute, pareute, paredde, parette, bn.: alles kwijt in het spel. Prut kan een var. zijn van plut < blut met wisseling van de liquidae l/r. Maar het WNT vermeldt ook prut ‘zuiver, helder > glad > kaal, blut’ en denkt aan prutten ‘van prut (zie prut 1) zuiveren’. Vgl. ook rut ‘blut’. De vormen par- met svarabhaktische vocaal.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

prut 1 zn.: moes, natte viezigheid; gekookte rijst met krenten. Vgl. Wvl. prut/frut ‘cichorei’. Ouder Ndl preut ‘weke, drabbige massa’. Ndl. prut ‘koffiedik’, Westfaals prött, prütt ‘koffiedik’, Fri. prot, prut. Klankexpressief woord.

prut 2 bn.: netjes, zindelijk, ordelijk. Misschien verwant met prat?

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

prut (ZV), zn.: moes, natte viezigheid. Vgl. Wvl. prut/frut 'cichorei'. Ouder Ndl preut 'weke, drabbige massa'. Ndl. prut 'koffiedik', Westfaals prött, prütt 'koffiedik', Fri. prot, prut. Klankexpressief woord.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

brats zweer (Lijmers, Voorst (Achterhoek)). Anlautsvariant van zlimb. pratsj ↑.
WALD 1993, 198.

pratsj vieze brij (Zuid-Limburg). Klankwoord. = Rijnl. pratsch.
WLD II afl. V 77, afl. IX, 45, Endepols 333, Hermanns/Lantin 450.

prietsj diarree (Limburg). Met pr klanknabootsend evenals limb. proetsj, protsj ‘id.’, Deurnes prutsj ‘id.’ en verder verbreid prut.
Eigen mat.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

prut, frut, zn. m.: cichorei (in poeder). Ook prut (0), zn. v. ‘wat bij de levertraanbereiding op de schepen van de uitgekookte kabeljauw overblijft’. Ouder Ndl. preut ‘weke, drabbige massa. Ndl. prut ‘koffiedik’, Westfaals prött, prütt ‘koffiedik’, Fri. prot, prut. Klanknabootsend woord. Let op de frequente pr/fr-wisseling.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

prut ‘brij’ -> Duits dialect Prütt ‘koffiedik’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prut* brij 1614 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal