Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

profijt - (voordeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

profijt zn. ‘voordeel’
Mnl. porfijt, profijt ‘voordeel, nut, baat’ in al dat porfijt ‘het hele voordeel’ [1265-70; VMNW], dit ghelt te gane ten profite vanden ambochte ‘dit geld dient ten goede te komen aan het gilde’ [1296; VMNW], dat ons so groote profijt daer of commen es [1487; MNW]; vnnl. profijt, proffijt, prouffijt ‘winst; voordeel, baat’ in de stede sal alle de prouffyten hebben ‘alle opbrengsten komen aan de stad’ [1509; WNT], om profijt van sijnen wijngaert te trecken [1651; WNT wijngaard]; nnl. profijt ‘voordeel’ in zegt het voort ... en doet uw profijt ‘... doe er uw voordeel mee’ [1821; Vad.lett., 436].
Ontleend aan Oudfrans profit, ouder profiet ‘geldelijke winst’ [1160-74; TLF], eerder al prufit ‘voordeel, succes’ [1100-50; TLF], ontwikkeld uit Latijn prōfectus ‘vooruitgang, verbetering, succes’, afgeleid van prōficere ‘vooruitgaan, verder komen, baten’, dat gevormd is uit prō ‘voor, vooraan, vooruit’, zie → pro-, en facere ‘handelen, maken’, zie → feit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

profijt [voordeel] {1254} < frans profit [idem] < latijn profectus [vooruitgang, resultaat], van proficere (verl. deelw. profectum) [verder komen, baten], van pro [voor] + facere (in samenstellingen -ficere) [maken, doen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

profijt znw. o., mnl. profijt o. ‘voordeel’ < fra. profit (sedert de 12de eeuw) < lat. profectus ‘voortgang, vooruitgang’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† profijt znw., mnl. profijt o. ‘profijt’. Uit fr. profit < lat. prôfectus. Later-mnl. ook al het ww. profitêren ‘baten, van nut zijn; voordeel trekken’ (ndl. † profiteren (profite[e]ren)). Vroeger komt voor mnl. profîten ‘voordeel doen, baten’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

profijt o., uit Fr. profit, van Lat. profectum (-us), zelfst. gebr. v.d. van proficere = voordeelig zijn (pro-: z. voor; — ficere, verzwakking van facere in samenst.: z. doen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

perfiet (zn.) voordeel; Vreugmiddelnederlands porfijt <1265-1270> < Frans profit.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

perfesser, perfessie, perfiet, zn.: met verdofte voortonige klinker en metathesis uit resp. professor, professie, profijt.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

profyt: wins, voordeel; Ndl. profijt (Mnl. profijt, “voordeel”), soos Hd. en Eng. profit, via Ofr. profit uit Lat. profectus, “vordering”, later “voordeel, wins”; v. ook profiteer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

profijt ‘voordeel’ -> Duits Profit ‘nut, (materieel) gewin; opbrengst van kapitaal’; Negerhollands profit ‘voordeel, buit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

profijt voordeel 1265-1270 [VMNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal