Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

profeet - (voorspeller)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

profeet [voorspeller] {prophete, profete 1265-1270} < frans prophète [idem] < latijn propheta [idem] < grieks prophètès [voorspeller, priester], van pro [voor] + phèmi [ik spreek] (vgl. faam, fabel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

profeet znw. m., mni. prophēte evenals in mnd. mhd. ofri. ontlening door de kerkelijke taal < lat. gr. prophēta. — Got. praufetes, praufetus rechtstreeks < gr. prophḗtēs.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† profeet znw. Een sedert het Mnl. Mnd. Mhd. Ofri. voorkomende kerkelijke ontlening uit gr.-lat. prophêta. Got. praúfetes, praúfetus m. rechtstreeks uit gr. prophḗtēs.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

profeet m., uit Lat. prophetam (-a), van Gr. prophḗtēs, afgel. van próphēmi = ik voorzeg (z. voor en faam). Een profeet die brood eet, naar Kon. XIII; een ongeluksprofeet, naar 1 Kon. XXII, 8, 18.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

profeet (Latijn propheta); (niemand is een -- in eigen land) (vert. van Latijn nemo propheta acceptus est in patria sua)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Profeet, man die spreekt in opdracht van God; (fig.) man die namens een bepaalde persoon, richting of groep spreekt.
Profetes, vrouwelijke profeet.
Valse profeet, profeet die (ook zonder dat te weten) niet verkondigt wat God wil; iemand die een persoon, richting of groep niet correct vertegenwoordigt.

Een profeet is een man die bekendmaakt wat de wil van God is. Hij spreekt in opdracht van God over zaken die in heden, verleden en toekomst liggen en is dus niet alleen maar een voorzegger van zaken die in de toekomst liggen. Een paar oudtestamentische profeten zijn Elia, Elisa, Samuël en Jesaja. Er waren ook profetessen, zoals Debora. Niet iedereen die voorgaf een profeet te zijn, was dat ook. Zie bijvoorbeeld Deuteronomium 18:22, 'als een profeet zegt te spreken in de naam van de HEER, maar zijn woorden komen niet uit en er gebeurt niets, dan is dat geen profetie van de HEER geweest. Heb geen ontzag voor een profeet die zich dat aanmatigt' (NBV). Ook nu spreekt men dan nog van een valse profeet.

Rijmbijbel (1271), v. 8503-6. Ende al tfolc van ysrahel. / Wisten des die wareit wel. / Dat samuel met groter eeren. / Warech prophete was ons heren. (En het gehele volk van Israël wist toen zeker, dat Samuël zeer eervol een waarachtige profeet van Onze Heer was.)
En johan janssens blijft gelijk tippetotje verbijsterd zitten, en vergeet het papier voor te lezen, dat hij in de radio heeft voorgelezen: de Dichter een wegwijzer en een profeet voor zijn tijdgenoten. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 123)
Nog één woord, sprak de schout zonder mij aan te zien. Wees voorzichtig met nieuwe profeten. Zij zijn fanatiek en beloven een hemel op aarde. Geloof daar niet in. (J. Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 223)
Dat groepje ontleent zijn inspiratie aan Meir Kahane, de profeet van extreem-rechts in Israël. (De Standaard, nov. 1995)
Koningin Beatrix gaf, zonder zich als een profetes op te werpen, in haar kerstrede terecht een bovennationaal antwoord, want de problemen zijn niet in eigen land op te lossen. (NRC, jan. 1994)
'Luister niet naar de woorden van deze valse profeet. Is hij een volger van de gouden vrouwe, een ware volger? Een broeder? Nee! Hij heeft nooit gezucht onder het juk van de Massussiërs! Zijn huis was altijd warm, zijn maag gevuld! Is hij een broeder zoals jullie en ik?' In de gemeente klonk ontsteld gemompel. (J. Boekestein, Schaduwstrijd. De kronieken van de magiër, 1997, p. 183)

Weerprofeet, iemand die het weer voorspelt.
Ongeluksprofeet, iemand die onheil voorzegt (en andere samenstellingen met -profeet)
Profeteren, voorzeggen, voorspellen.
Profetie, voorzegging, voorspelling.
Profetisch, voorspellend.

Profeten van nu kunnen namens allerlei andere personen, richtingen of groepen spreken. Vaak wordt hun karakter of hun specialisme aangegeven door toevoeging van een zelfstandig naamwoord voor het woord profeet. Zo hebben we onder meer aangetroffen een donderprofeet, (on)heilsprofeet, mediaprofeet, milieuprofeet, ongeluksprofeet, onzinprofeet, en weerprofeet. De betekenis van profeet in deze samenstellingen is niet steeds hetzelfde; bij de weerprofeet denkt men aan de voorzeggende kant van het profetenschap, terwijl bij de ongeluksprofeet bovendien iets wordt gezegd over de (aard van de) boodschap. De afleidingen profeteren, profetisch en profetie worden ook nog steeds gebruikt voor wereldlijke doeleinden.

Het weer is prachtig en we hopen dat het zo nog een paar dagen aanhoudt. Ik wil geen ongeluksprofeet zijn, dus zeg ik er maar niks meer over. (Meppeler Courant, juni 1995)
De onzinprofeet: wiezois assus quikema maases. Maar hij was ook de tedere zanger van hymnen, romancen en balladen. Lucebert was er ineens, als een verschijning [...] (NRC, mei 1994)
Nu bleef er nog een profetie en een cryptische omschrijving over die allebei zouden uitkomen op de dag van de geboorte. (A. Benali, Bruiloft aan zee, 1998 (1996), p. 135)
In deze profetische tekst [uit 1839, over de toekomst van de verhouding tussen het Westen en Rusland] zie ik elementen die wel degelijk onze westerse samenleving schijnen te gaan kenmerken. (Luns: 'Ik herinner mij ...', 1971, p. 225)

Een broodetende profeet, een profeet die brood eet, een profeet die onbetrouwbare uitspraken doet.

Een broodetende profeet is een profeet (in religieuze en niet-religieuze betekenis) die al dan niet opzettelijk verkeerde uitspraken doet, die zijn roeping verzaakt omwille van inkomsten. Dit gaat mogelijk terug op bijbelplaatsen als Amos 7:12, 'Vervolgens zeide Amasja tot Amos: Ziener! ga heen, vlucht naar het land van Juda; eet daar brood, en profeteer daar' (NBG-vertaling; de NBV heeft 'verdien' in plaats van 'eet').

Liesveldtbijbel (1526), Amos 7:12. Ende Amasias heeft geseit tot Amos Wat siet ghy, gaet ende vliet int lant van Juda, ende eedt daer broot, ende propheteert daer.
Dat Duitsland ondanks een voorspelde kleine economische groei (0,5 procent) in 1994 werkelijk zijn recessieve toestand zal verlaten, zoals politieke profeten die brood eten zeggen, mag dan ook worden betwijfeld. (NRC, jan. 1994)

Een profeet wordt niet geëerd in zijn eigen land, iemands kwaliteiten worden niet gewaardeerd in zijn eigen omgeving, hoewel zij duidelijk zijn voor 'buitenstaanders'.

In Lucas 4:24 lezen we de volgende woorden van Jezus: 'Luister, ik zeg jullie dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad' (NBV). Uitspraken die hierop zijn gebaseerd, worden nog steeds, ook in niet-religieuze zin, gebruikt.Van iemand die men zijn leven lang al kent, gelooft men niet snel dat hij of zij iets heel bijzonders is -- dat is wat een profeet wordt niet geëerd in zijn eigen land kan zeggen. Een beknopter voorbeeld vinden we in de volgende aanhaling: 'Niemand is profeet in eigen land, moet de heer Wöltgens hebben gedacht' (Liberaal Reveil, 1994, nr. 1). In België spreekt men wel van een sant in eigen land: '"Ik wist niet dat Traen boeken schreef. Heb jij ooit iets van hem gelezen?" "Ik denk het niet." "Dan zal hij wel niet bekend zijn." "Niemand is sant in eigen land." (P. Aspe, Onder valse vlag, 2002, p. 27).

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 94, 24-25. Ouer waer seggic v dat en gheen prophete en es gheert in sinen lande. (Statenvertaling (1637): aengenaem i.p.v. gheert.)
een profeet wordt niet geëerd in zijn eigen land. Het gerucht echter dat dat was omdat hij op zondag had gefietst, wordt ontkend; hij fietste altijd op zondag en werd in zijn woonplaats toch wel geëerd. (K. van Zomeren, 1946, verkenning van een geboortejaar, 1999, p. 170)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Profeet, van ’t Lat. profeta, Gr. prophetes van prophèmi = ik voorzeg (pro = voor en phèmi is verwant met faam).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

profeet ‘voorspeller’ -> Negerhollands profeet ‘voorspeller’; Papiaments † profeet ‘voorspeller’; Sranantongo profeiti ‘voorspeller’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

profeet voorspeller 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1483. Er zijn martelaars en apostelen (of propheten).

Men voegt deze woorden tot troost en bemoediging toe aan iemand, die een tobberd is. Evenals vroeger niet ieder geroepen was om het verheven zendingswerk der Apostelen te verrichten, kan ook thans niet ieder uitmunten in wetenschap en kunst, doch niettemin een nuttig lid der maatschappij wezen, evenals de martelaars, al waren ze lijders, toch het zaad der kerk zijn geweest. Zie Harreb. I, 16; Noord en Zuid V, 323. In Zuid-Nederland komt de zegsw. in eenigszins anderen zin voor; vgl. Loquela, 312: In elken stiel zijn er veel martelaars en weinig apostelen; g' hebt apostels en g' hebt martelaars; g' hebt smeds en g' hebt sjouwers; Antw. Idiot. 795: In elke(n) stiel zijn veel martelèèrs en weinig apostelen. De martelèèrs komen zoowel in den hemel als de apostelen, de knoeiers bereiken ook hun doel.

1569. Mozes (en de profeten) hebben,

d.w.z. geld hebben; ook alleen: Mozes hebben. In de hd. studententaal komt in het laatste gedeelte der 18de eeuw Mosen haben, geld haben, Moses, geld, en Moses und die Propheten, geld, voor. In deze uitdr. is Mozes eene verbastering van het Jodenduitsche moos, ‘dat eigenlijk een meervoud is van 't Arameesche woord mô'ô (me'ô). Dit beduidt oorspronkelijk steen of pit, en is vandaar de naam geworden eener kleine munt, die de waarde had van een twintigsten sikkel. Het meervoud is het gewone woord voor geld geworden en uit het Jodenduitsch en de dieventaal bekend genoeg’ (Tijdschrift II, 73Zie Teirlinck, Woordenboek van het Bargoensch, 47 b; F. Kluge, Deutsche Studentensprache, 108 a; Wander III, 736; Zeitschr. f. Deutsche Wortforschung III, 95; Van Ginneken II, 81: moos hebben, centen hebben; Onze Volkstaal III 197; Köster Henke, 46: moos, geld; zoo ook in Nkr. III, 17 Oct. p. 5; IV, 10 April p. 5. Voor verschillende namen van geld en geldstukken zie Leuv Bijdr. XIII, 183; 186; Venryes, 254.); vgl. Kunstl. II, 160: We wete dat Mosis bij 'm thuis is!.... Meer sente as geluk!; Noord en Zuid XXI, 160: Daar zit Mozes, daar is geld. Later (zie Harreb. II, LIII) heeft men, toen de oorsprong niet meer werd gevoeld, de uitdr. verlengd met en de profeten (zie no. 1319), hoogstwaarschijnlijk door de bijgedachte aan Luc. XVI, 29, waar Abraham tot den rijke in de hel op diens vraag om Lazarus naar zijne broeders te zenden, opdat deze niet in de plaats der pijniginge komen, antwoordt dat dit niet noodig is, want sy hebben Mosem ende de Propheten. Immers wie deze heeft ‘die heeft niets anders meer noodig; zoo ook is het geld het voornaamste in 't leven; die dat heeft, behoeft geen andere dingen’ (Laurillard, 13). Kluge, Unser Deutsch, 98 verklaart de uitdr. nog anders. Hij zegt: Diejenigen, welche Mosem und die Propheten haben, sind die Juden, und daraus hat sich leicht die Uebertragung ergeben. In het Friesch is de uitdr. ook bekend; vgl. W. Dijkstra, 382 a: Mei Mozes en de profeten is min oeral klear; voor het nd. zie Eckart, 370.

1891. Geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd.

Dit is een aan den Bijbel (Luc. 4, 24 of Matth. 13, 57) ontleend spreekwoord, in den zin van: geen man van verdienste wordt in zijn eigen land zoo geëerd, als dikwijls in het buitenland. Op beide plaatsen wordt het door Jezus gebruikt, wanneer hij ondervindt, hoe de inwoners van Nazareth niet op zijne prediking acht geven, en hem door hun ongeloof bedroeven. Vgl. Zeeman, 418; mlat. in propria natus est nemo propheta vocatus (Werner, 41); Prov. Comm. 635: ten is gheen prophete verheven in syn selfs lant; Campen, 28: der en is ghien Propheet anghenaem in syn vaderlandt; Winschooten, 219: Daar werd geen sant verheeven in sijn eige land; Cats I, 543; Hooft, Ged. I, 192, 49; De Brune, 370; C. Wildsch. III, 6; enz. Zie Harreb. III, 319 a; Ndl. Wdb. XIV, 95; Antw. Idiot. 1054; Wander III, 1412 en vgl. het nd. wo de Profête geboren is, da gelt he nich (Eckart, 417); fri. in profeet wirdt yn syn heitelân net eard of ook der is nin profeet yn syn lân forheven; Joos, 211: niemand is profeet in zijn land; nooit san(c)t verheven in zijn land; Schuermans, 566; fr. nul n'est prophète en son pays; hd. der Prophet gilt nichts in seinem Vaterlande; eng. a prophet has no honour in his own country.

1898. Een punt (of een puntje) aan iets kunnen zuigen.

Eene in Noord- en Zuid-Nederland bekende uitdrukking: ergens een voorbeeld aan kunnen nemen; iets niet kunnen verbeteren; met iets niet in vergelijking kunnen komen. Harrebomée II, 204 citeert: Hij zuigt (of slijpt) er een punt aan; Weiland verklaart ‘eene punt aan iets zuigen’ als ‘zich gereed maken tot tegenspraak, of tegenstand’, en vat ‘punt’ op in den zin van degen; Gron. hij ken d'r puntjes an zoegen (Molema, 339 a); in het fri. der kinst in puntsje oan sûgje. In Zuid-Nederland: Daar kunt gij nen punt aan zuigen, daar kunt gij mede bezig zijn, op nadenken en er het uwe uit trekken (Schuerm. Bijv. 253 a); zie ook Joos, 75: Lekt dat kalfken zijn muilken af, zuigt daar 'nen punt aan; Antw. Idiot. 1007; Waasch Idiot. 521: Aan iets een pinne of 'nen punt kunnen zuigen, iets kunnen doen, iets verstaan; 540: Zuigt daar 'nen punt of een pin aan. Zie verder Schoolm. 19:

 Ja het ging zoo gaauw, hoorde ik mijn kleinzoon dikwijls getuigen,
 Dat een stoomboot op stapel er gerust een punt aan had kunnen zuigen.

Handelsblad, 21 Mei 1914, p. 1 k. 5 (ochtendbl.): De heer Vliegen begon met het aftakelen der redevoeringen van de heeren Marchant en Bos (waaraan hij echter de klassieke ‘punt’ kon zuigen); Prikk. II, 57; Kmz. 81; Jord. 197; Nkr. II, 8 Maart, p. 2; Zondagsbl. v. Het Volk, 1906, p. 114: Men bedenke evenwel, dat er verscheiden redevoeringen waren, waar geen punt aan was, andere waar maar een punt aan gedraaid was. Aan geen enkele viel een punt te zuigen; Nkr. V, 13 Mei, p. 6; 9 Sept. p. 2; VII, 9 Aug., p. 5; VIII, 7 Nov., p. 2. Hiernaast een punt draaien (of zuigen) aan iets, er een mouw aan passen, een kop klinken aan iets, er raad op weten, er maar iets van maken; vgl. Het Volk, 5 Juni 1914, p. 1 k. 4: Men zou met zulk een verklaring dus genoegen kunnen nemen. De heiligheid is daarmee toch van de zoogenaamde christelijke politiek af. Maar neen, de ‘Standaard’ draait er toch weer een punt aan; Nw. School, IV, 212: ‘Op een stroowisch komen aandrijven’, heeft K. ook opgenomen en als aan alles weet hij ook daaraan een punt te zuigen, maar ook als elders slaat hij den bal mis; VII, 179: De heer B. heeft op zich genomen de brochurenreeks ‘Schoolhervorming’ te openen. En dat was nou weer net iets voor hem, hè. Hij zou d'r wel eventjes een punt aan kletsen, dacht-ie; en hij hééft er een punt aan gekletst; VIII, 259: ‘Je hebt d'r 'n aardige punt aan gekletst’, zei de eenBij een proefles over ‘de visscherij in ons land’.. ‘Zeker zelf nooit gehengeld hè, vroeg de ander; Nkr. VI, 8 Juni p. 4: Om 't kiesrecht was de zaak begonnen, want Theo had zich goed bezonnen: Dàt stel meneeren, lieve man, dat draaide er wel een puntje an. Vgl. ook Lvl. 12: Wat hei-je nou eigenlik willen beweren? Verdomd as 'k 'r 'n woord van kan navertellen, je lult er godoome 'n punt aan; D.H.L. 39: Geeg effe jouw jas, dan ziet-i me tenminste als korporaal, anders begint-i te ouwehoeren en dan is-i vanavond nog niet klaar; je weet m'n vader is dominee en die lullen d'r altijd 'n punt an; Scharten, 't Geluk hangt als een Druiventros, bl. 101: Toen Angelo met een zoetsappig langs-zijn-neus-weg gezegd zinnetje.... slechts een ontwijkend grijnsje kon ontlokken, wist hij, om een directe weigering te voorkomen, dadelijk een pointe aan zijn verhaal te zuigen. Een punt aan iets draaien of zuigen (onder invloed van iets uit zijn duim zuigen) beteekent dus eig. een pointe er bij verzinnen of er uithalen; in algemeenen zin: iets klaar spelen; onze uitdr. je kunt er een punt aan zuigen wil dan zeggen: probeer er een punt aan te zuigen (maar het lukt je toch niet); ge kunt trachten dat ook klaar te spelen, doch daartoe zijt ge niet in staat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal