Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prik - (steek, puntig voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

prik 1 zn. ‘lichte steek; puntig voorwerp’
Vnnl. prick ‘ijzeren punt’ [1599; Kil.], ‘steek’ [1611; WNT], ook in de uitdrukking kijcken op ien prick ‘heel nauwkeurig kijken’ [1618; WNT].
Volgens sommigen gaat het om een klanknabootsend woord, wat echter vreemd lijkt. Eerder is te denken aan een variant van → pikken met een emfatische -r-.
Mnd. pricke ‘spits, stekel, aalgeer’. Te vergelijken zijn ook: oe. prica ‘puntje, klein deel’ en on. prika ‘puntige stok’.
prikken ww. ‘steken’. Vnnl. pricken ‘steken’ [1573; Thes.]. Afleiding van prik.
Lit.: J. de Vries (1959), ‘Das -r- emphaticum im Germanischen’, in: Mélanges de linguistique et philologie. Fernand Mossé in memoriam, Paris, 467-485

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prik1* [steek, puntig voorwerp] {prick [puntig voorwerp] 1573; de betekenis ‘het prikken, steken’ 1611} vermoedelijk het grondwoord van prikkel (vgl. prikkelen). De uitdrukking iets op een prik weten [zeer nauwkeurig weten] {1726} wil zeggen tot een stipje toe.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prik 1 znw. m. ‘het prikken’ eerst bij Kiliaen vermeld, is verbaal-subst, bij prikken.

prik 2 znw. v. ‘puntig voorwerp, stok met ijzeren punt’, eerst bij Kiliaen (mnl. pric, pricke betekent ‘een kleine munt’), mnd. pricke v. ‘prikkel, puntig gerei voor palingvangst’, oe. prica m. ‘puntje, klein deel’ ( > on. prika ‘puntige stok’), is verbaalnomen bij prikken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

prik I (’t prikken, geprikt gaatje enz.), sedert Kil., die ’t holl. noemt. Bij hem ook voor ’t eerst ’t ww. pricken (nnl. prikken) = mhd. pfrëcken, mnd. pricken “prikken, steken”. Laat-mnl. komt. al prickelen “prikk(el)en” (nnl. prikkelen) voor, prickel znw. misschien in Salomon ende Marcolphus (± 1500) voor prijckel te lezen (nnl. prikkel); mnd. reeds pricke v. “prikkel, puntig werktuig voor palingvangst”: maar vroeger komen de vormen met één k voor: mnl. (nog zuidndl.) mnd. prēkel m. = ags. pricel m. (pricla m., pricle v.) “scherpe punt, puntig voorwerp”, vgl. os. prëkunga v. “steek, prik”, ags. prica m. “puntje, klein deel”, prician “prikken” (eng. to prick), on. prika “steken, stooten”. Ags. echter ook â-priccan “prikken”. Verwant is lit. brėżiu, brėżti “krassen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prik 1 m. (steek, puntig werktuig), verbaalabstr. van prikken + Mhd. pfrecken, Eng. to prick, Zw. pricka, De. prikke + Lit. brëżti = krassen. — Op de prik: vergel. Fr. ponctuellement.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

prik verdord takje (Groningen). Irregulier ‹ sprik ↑ en niet afgeleid van ww. prikken maar er volksetymologisch door beïnvloed.
Ter Laan 720, TNTL XV 104-105 (tegengestelde mening).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

prik ‘steek; (ingeprikte) punt’ -> Deens prik ‘kleine markering op zee, puntje’; Noors prikk ‘punt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds prick ‘kleine markering op zee, puntje’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments prek ‘steek, uitsluitend gezegd bij bloedprikken en bij de prikklok op het werk’; Surinaams-Javaans prig ‘steek, inenting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prik* steek 1611 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1797. Iemand de (of een) pen op den neus zetten,

ook wel iemand de pé (d.i. peen, pen, praam, prank of prik) op den neus zetten, door het een of ander doortastend middel iemand dwingen tot spreken of handelen; ook: iemand op gevoelige wijze de waarheid zeggen; hem intoomen, hem beletten uit den band te springenVgl. Brederoo I, 128, 681: Een dubble nues-dwang-straf betoomt myn jonghe sinnen.; vgl. V. Janus, I, 155: Ik wil voor jeluy oogen verzinken, als wij zelfs geen oorzaak zijn, dat men ons deze peen op den neus gezet heeft. 't Is een bril, daar wij duidelijk door kijken kunnen, maar die ons den neus zoo drommels in een drukt, dat er ons de traanen van in de oogen komen; Het Volk, 17 Jan. 1914, p. 5 k. 3: Van stonde af begon Bet haar schoonmoeder te vertroetelen en den kinderen werd in de keuken de pen op den neus gezet; Nw. School, I, 24: Je zult last met ze (leerlingen) hebben - zet ze maar dadelijk de pen op den neus. Syn. zijn iemand de prang (= pranger) of de klem, den nijper op den neus zetten (De Cock1, 79; 338; Antw. Idiot. 1915); iemand een prange op de neus zetten, iemand verbieden iets te verklappen (N. Taalgids XI, 306); iemand een pen (of een prik) op den neus zetten (Harreb. II, 124 a); fri.: immen de kaem (pranger) op 'e noasters (neusgaten) sette; de kniper komt op 'e skinen, de nood komt aan den manVgl. Harreb. II, XXVII: Als knijper aan boord komt, als de nood aan den man komt. Zie no. 1638.; geld.: iemand en pin vör de nöze of op den start zetten, iemand beletten om zich al te vrij te bewegen (Gallée, 33 a); iemand een bril op den neus zetten, iemand breidelen, bedwingen (Tuinman I, 348); iemand de knip op de staart setten (Winschooten, 38); iemand de kniepe op den staart zetten (Gunnink, 51); iemand een karpeson, kappeson (fr. caparaçon, cavaçon) op den neus zetten (Oudemans III, 314; Tuinman I, 333; Ndl. Wdb. III, 1380; Nav. LXI, 181); nd. wen de klemm (of knipen und klemmen) upsetten, jemand in die Enge treiben (Reuter, 58 b); enz. Al de hier genoemde dwangmiddelen kunnen dienen om springende of onwillige paarden te bedwingen. Vgl. ook het fr. donner des morailles à qqn, le tenir serré; pincer le nez à qqn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal