Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prijs - (kosten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

prijs zn. ‘te betalen bedrag; beloning; wat te winnen is’
Mnl. prise, priis, prijs ‘lof, glorie, overwinning’ in her lif was prises pant ‘hun leven was het onderpand van de overwinning’ [1250; VMNW], ‘eer, loftuiting’ in Si louen v met groten prise [1265-70; VMNW], ‘in geld uitgedrukte waarde’ in onder den seluen priis die daeruore ghenomt es ‘voor dezelfde prijs die eerder genoemd is’ [1277; VMNW]; vnnl. prijs ‘beloning bij spel of strijd’ in ghewonnen den derden prys van eeren [1529; WNT], ‘buit’ in alles prijs te maecken wat heur soude bejegenen ‘alles buit te maken wat zij zouden tegenkomen’ [1596; WNT], ‘waarde; roem, lof; beloning’ [1599; Kil.], ‘te betalen bedrag voor werk’ in te hoogen prijs van lappen ‘een te hoog bedrag voor schoenlappen’ [1688; WNT]; nnl. prijs ‘schriftelijke notering van de waarde’ in yder dag de prys ... voor de poort der Bank te plakken [1724; WNT], ‘beloning’ in mededingers naar den zelfden prys [1757; WNT], ‘waardering’ in Dat zy meer prijs stellen op [1765; WNT], prijsje ‘prijskaartje’ in ontdoe de Paaschhaas van ... het prijsje [1936; Groene Amsterdammer].
In prijs zijn twee Franse leenwoorden samengevallen. Mnl. prise, prijs ‘lof, glorie; waarde’ is ontleend aan Oudfrans pris (Nieuwfrans prix), ontwikkeld uit Latijn pretium ‘prijs, waarde, koopsom, beloning’, oorspr. ‘equivalent, dat wat staat tegenover’. Vnnl. prijs ‘te veroveren buit’ is ontleend aan Frans prise ‘greep, het vastgegrepene’, afleiding van het verl.deelw. pris ‘gegrepen’ van prendre ‘grijpen, nemen’ < Latijn prēndere ‘id.’; dit is een samentrekking van praehendere, dat gevormd is uit prae- ‘voor’, zie → pre-, en -hendere ‘vasthouden’, verwant met hedera ‘klimop, plant die zich vasthecht’.
Latijn pretium is verwant met: Grieks protí ‘in de richting van’; Sanskrit práti ‘tegen’; Lets pret ‘tegen’; Oudkerkslavisch protivū ‘tegen’; < pie. *preti-/*proti- ‘tegenover’ (IEW 816), uitbreiding bij de wortel pie. *per- ‘tegen, langs, over; gaan over’, waarbij ook → ver, → voor 1, → vroom.
Latijn -hendere is verwant met Grieks khandánein ‘vasthouden’, en wrsch. met -geten in → vergeten.
prijzen 1 ww. ‘de prijs aangeven’. Nnl. prijzen ‘van een prijs voorzien’ in alle schilderijen zijn geprijsd [1878; Groene Amsterdammer]. Afleiding van prijs in de betekenis ‘te betalen bedrag’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prijs1 [kosten] {prijs, pries 1250} < oudfrans pris [idem] < latijn pretium [waarde van iets, prijs, beloning] (vgl. precieus).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prijs 1 znw. m. ‘waarde’, mnl. prijs m. ‘waarde, prijs, lof, roem, voorrang, eergeschenk’ evenals mnd. prīs ‘waarde, prijs, lof, roem’ ( > laat-on. prīss m. ‘heerlijkheid, pracht’), mhd. prīs, brīs m. ‘prijs, lof, eer’ (nhd. preis), ne. price ‘prijs’ < ofra. pris (nfra. prix) < lat. prētium ‘waarde, prijs’. — Zie: prijzen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

prijs II (waarde enz.), mnl. prijs m. “waarde, prijs, lof, roem, voorrang, eeregeschenk”. = mhd. prîs, brîs m. “prijs, lof, eer, iets roemvols” (nhd. preis), mnd. prîs m. “waarde, prijs, lof, roem” (> laat-on. prîss m. “heerlijkheid, pracht”). Evenals eng. price “prijs” uit ofr. pris (fr. prix; < lat. pretium) “waarde, prijs”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prijs 1 m. (waarde), Mnl. id., gelijk Hgd. preis, Eng. price, uit Ofra. preis (thans prix) van Lat. pretium = prijs, waarde + Gr. pérnēmi = ik verkoop.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pries (zn.) prijs; Vreugmiddelnederlands priis <1250> < Frans prix.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

prys I: waarde; lof; beloningsgeskenk; Ndl. prijs (Mnl. prijs), Hd. preis, Eng. price, via Ofr. pris (Fr. prix) uit Lat. prētium, “prys; waarde”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Prijs (waarde), van ’t Ofr. pris (nu prix), van ’t Lat. pretium = prijs, waarde, verwant met het Gr. pernèmi = ik verkoop. Hiervan ’t werkw. prijzen: den prijs aangeven en bij uitbreiding: den prijs billijken, door de waar te loven, roemen, verheerlijken. Vandaar ook prijs = roem. Prijs als buit: „voor goede prijs (vrouw.) verklaren”, komt van ’t Fr. prise, deelw. van prendre = nemen, aangrijpen, buit maken (Lat. prehendere). Vandaar ook: prijsgeven; prijsmaken.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

prijs. - Het is met ons tegenwoordig taalgebruik in strijd, aan het woord prijs den zin te geven van waarde. Zoo schrijft CONSCIENCE (3, 309 b) geen prijs hebben: men moet zeggen geene waarde hebben. Op het omslag van het taalkundig tijdschrift Ons Volksleven leest men: Een afdruksel van een werk van prijs of van een vervolgwerk, geeft recht tot een bespreking. Men moet zeggen: een werk van waarde. Evenmin zegt men prijs hechten aan iets, letterlijk vertaald naar fr. attacher du prix à quelque chose, maar wel waarde, gewicht hechten, belang toekennen aan iets. Het is bijna overbodig te zeggen dat in al deze gevallen prijs de al te letterlijke vertaling is van fr. prix, dat aan prijs en waarde beide beantwoordt. Alleen wanneer in ’t Fransch het woord prix vergezeld gaat van eene bijvoeglijke bepaling, kan het woord door ons prijs weergegeven worden: zoo komt b.v. fr. attacher grand prix à quelque chose overeen met iets op hoogen prijs stellen, omdat in deze uitdrukking prijs de beteekenis heeft van geldswaarde. || Het mishaagt u, dat ik meer prijs schijn te hechten aan de kunst, aan het verstand, … dan aan het geld, CONSC. 2, 367b. Overigens hechtten er al die argelooze vromen niet veel prijs aan om geidealiseerd te worden, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 9. Aan die voldoening hecht gij minder prijs, ROOSES, Derde Schetsenb. 34. Hij … hecht even weinig prijs aan regelmatigheid van wezenstrekken als aan fraaie spierengolving, ROOSES in Elsevier’s Maandschr. 10, 69. Hij hecht nog grooten prijs aan de keurige bewerking der onderdeelen, Ald. Hij (hecht) grooten prijs … aan het weergeven der ontroeringen, 10,70. De Welschen … hechten aan hunne taal eenen ongemeenen prijs, PRAYON in Versl. Vl. Ac. 1888, 105. De smid moet zeer zeker veel prijs hechten aan zijne meening, TEIRL.-STIJNS, Arm. Vl. 1, 17. De onderneming verdient gesteund door iedereen die prijs hecht aan degelijk geestesvoedsel, GITTÉE in De Toekomst 35, 30. Hadde ik de volle zekerheid dat deze inbeelding zou waarheid worden, ik zou niet den minsten prijs meer aan het leven hechten, MILLECAM, Finh. en Lieder. 1, 173.

prijs (ten prijze van). - In deze uitdrukking is het gebruik van het woord prijs een gallicisme: fr. au prix de luidt in het Nederlandsch ten koste van. || Die voorwaarde heb ik mij vóor jaar en dag reeds gesteld, en ik ben niet van zin er, zelfs ten prijze van mijn geluk, van af te wijken, SLEECKX 14, 223.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

prijs ‘kosten; eerbewijs; iets dat men gewonnen heeft’ -> Duits Preis ‘roem, heerlijkheid; lof, erkenning, beloning; waarde; geld-, koopwaarde’; Deens pris ‘kosten; roem; iets dat men gewonnen heeft’; Noors pris ‘kosten; beloning’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pris ‘iets dat men gewonnen heeft, beloning voor prestatie’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch prés ‘iets dat men gewonnen heeft’; Iban perais ‘iets dat men gewonnen heeft’ (uit Nederlands of Engels); Javaans pris ‘stoffelijk bewijs van verworven roem of succes bij spel of strijd’; Makassaars perês, perêsé ‘prijs in loterij, prijs bij races’; Negerhollands pries ‘kosten’; Papiaments preis ‘kosten; iets dat men gewonnen heeft’; Sranantongo prèis ‘kosten’; Surinaams-Javaans près, prèis ‘kosten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prijs kosten 1250 [CG II1 Trist.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal