Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

praten - (spreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

praten ww. ‘spreken’
Mnl. praten ‘spreken’ in Jhesus zweech stil end lieten praten ‘Jezus zweeg en liet hem praten’ [1440-50; MNW-R], Mit praten ende mit lieflic cozen ‘door te praten en lieve woordjes te zeggen’ [1470-90; MNW-R].
Herkomst onduidelijk. Mogelijk is dit een klanknabootsend woord.
Mnd. praten ‘praten, babbelen’. In de overige Germaanse talen, bijv. me. praten (ne. prate ‘wauwelen’), nzw. prata, is het wrsch. ontleend aan het Middelnederduits of het Nederlands.
Mogelijk verwant met de pejoratieven Pools bredzić ‘leuteren, babbelen’ en Russisch brédit' ‘id.’ (IEW 164). Misschien is er verband met on. pati ‘geklets, gerucht’ en nhd. dial. pfattern ‘mompelen’, waarbij de Nederlandse -r- secundair is (De Vries 1959).
Lit.: J. de Vries (1959), ‘Das -r- emphaticum im Germanischen’, in: Mélanges de linguistique et philologie. Fernand Mossé in memoriam, Paris, 467-485, hier 470

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

praten* [spreken] {1440} middelnederduits praten, engels to prate [wauwelen]; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

praten ww., mnl. prāten (zelden), Teuth. prāten, mnd. prāten, me. praten (ne. prate) ‘praten, babbelen’. — Men pleegt het als een klankwoord te beschouwen evenals prachen en pralen. Het is blijkbaar een vrij jong woord, wat de vergelijking met pools bredzić ‘leuteren, babbelen’ twijfelachtig maakt. — Zie ook: pruttelen.

Opmerkelijk is dat naast dit west-germ. woord met pr-anlaut ook andere staan zonder r zoals nhd. dial. pfattern ‘mompelen’ en on. pati ‘gezwets, gerucht’. Men kan daarom denken aan de inlassing van een r-emphaticum (J. de Vries, Mélanges Mossé 1960, 470), maar dat brengt ons een bevredigende etymologie niet nader. Het woord komt ook voor in een strook langs de Nederlandse grens in NWDuitsland (vgl. kaart 19 bij W. Foerste, Bijdr. en Med. Dial. Comm. 1955), waar het onder invloed van het Nederlands bewaard gebleven is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

praten ww. N.-Brab. met ô, in de saks. streken en in Westf. met å̂ < â, mnl. (zeldzaam) prâten. = Teuth. praten, mnd. prâten, eng. to prate (sedert de 15. eeuw) “praten, babbelen”. De bet. sluit zich aan bij die van po. bredzic’ “leuteren, babbelen”, dat niet van praten te scheiden is. Zie hierover bij prat. Vgl. pruttelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

praten ono.w., + Ndd. id., Meng. praten (Eng. to prate), Zw. prata, De. prate + Po. bredzić = leuteren, Lett. bradāt = nonsens spreken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

praote (ww.) praten; Middelnederlands praten <1440-1450>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

praat ww.
1. Gedagtes hardop uiter. 2. 'n Gesprek voer. 3. Met klem, oorredend spreek. 4. Skinder.
Uit Ndl. praten (al Mnl.).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1920 in bet. 1 en 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

praat: gesels, spreek; Ndl. praten (Mnl. praten), Mned. prāten, Meng. praten (Eng. prate, frekw. prattle, “babbel”), misk. kn., vgl. pruttel, prewel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

praten ‘spreken’ -> Fries prate ‘spreken’; Engels prate ‘wauwelen, kletsen, kakelen’; Duits dialect praten ‘kletsen, babbelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Duits praatschen ‘pralen’; Noors prate ‘spreken’; Zweeds prata ‘spreken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels praat ‘spreken’ <via Afrikaans>; Negerhollands praat, praet, prat ‘spreken’; Skepi-Nederlands prat ‘spreken’.

prater ‘kletskous, iemand die verhaaltjes vertelt’ -> Frans dialect † prater ‘kletskous, iemand die verhaaltjes vertelt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

praten* spreken 1440 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1220. Over koetjes en kalfjes praten,

d.w.z. over onverschillige, onbeduidende zaken praten. Zie Van Effen's Spect. IX, 11: Nadat we so wat van koetjen en kalfjen epraet hadden; bl. 237: Eens mee praaten van het mooi weer, van het courant nieuws, en gelyk men zegt, van 't koeitje, en 't kalfje; Harrebomée, I, 356; Van Eijk, II, 56; Falkl. IV, 115; Schoolm. 18; 't Daghet XII, 190. De uitdr. zal eerst gezegd zijn van boeren, die over hun vee praten (vgl. mnl. spreken van Bouwijns heynst; zie Mloop. II, 796), over alledaagsche dingen, en later in ruimere toepassing in gebruik zijn gekomen. Vgl. Gew. Weeuw. III, 66: Van koeyen en kersseboomen praaten; het gron. over land en zand proaten, d.i. bebouwd en onbebouwd land (Molema, 236 b); Villiers, 65; in Amsterdam: kletse, prate van ouwe Jan en van jonge Jan; fri. prate oer haven en staven; in Zuid-Nederland: van land en zand kouten; van kraaien en duiven spreken (Volkskunde, XIV, 145; Waasch Idiot. 193 b).

1544. Iemand naar den (of zijn) mond praten,

d.w.z. iemand vleien, flikflooien; fri. nei immens holle (hoofd) prate. Het is niet onmogelijk, dat Tuinman I, 186 gelijk heeft in zijne bewering, dat deze uitdr. eig. wil zeggen: praten naar iemands smaak, gelijk hem aangenaam is; vgl. het mnl. goeden mont maken, goed smaken. Hooft bezigt ook in Ned. Hist. 901 de uitdr. naa den mondt zijn in den zin van smaken, en zeer gewoon was het wkw. monden (fr. mûlkje), bevallen, aangenaam zijn, smaken, waarvoor men in Zuid-Nederland zegt naar iemands tand zijn (Schuerm. 710; Antw. Idiot. 1220). De hd. uitdr. einem nach dem Maule (oder Munde) reden (Grimm, VI, 1793; 2679) maakt evenwel die opvatting niet zeer aannemelijk; de meest waarschijnlijke verklaring zal wel zijn: spreken zooals een ander spreekt, hetzelfde zeggen, gelijk geven; zie no. 365. In de 16de eeuw komt de uitdr. voor; ze is o.a. te vinden in het Tijdschrift XVI, 58: Ter derder moet men al nae sijn mont spreecken. Zie verder Vondel, Aenleidinge, 111; Brederoo I, 347; III, 157; Rusting, 204; Van Effen, Spect. VI, 136; Sewel, 497; 744; Ndl. Wdb. IX, 1061; Villiers, 81; enz.; vgl. fri. mûleflooije; bekjeflaeije; het oostfri.: êmand na de mund prôten; het gron. bekproaten, mondjeproaten, na de bek proaten (Molema, 27 a). In Zuid-Nederland onbekend; wel: iemand naar zijnen tand klappen (Antw. Idiot. 1229); naar iemands tand klappen (Rutten, 226 b).

2179. Voor stoelen en banken preeken (praten, spelen),

d.i. voor een bijna leege kerk of zaal preeken of spelen; spreken zonder aangehoord te worden. Vgl. Westerbaen III. 701: Voor leege stoelen en houte banken preeken; Van Effen IV, 106; XI, 214: Voor stoelen en banken preeken; Harreb. I, 31 a; Het Volk, 5 Juni 1914 p. 1 k. 3: Landdagen dat waren voor menigen vrijzinnigen spreker die voor stoelen en banken sprak, dagen dat-ie 't land had; Antw. Idiot. 841 en Waasch Idiot. 449: veur de muren spreken; fr. jouer devant les banquettes; hd. vor leeren Bänken spielen; eng. to play to empty benches.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal