Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prat - (trots)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

prat bn. ‘trots’
Mnl. prat ‘fier, trots’ in de samenstelling pratcamere ‘pronkkamer’ [1479; MNW]; vnnl. prat ‘fier, trots’ [1546; Claes 1994a], ook in de samentelling pratstoel ‘voorname zetel’ [1599; Kil.], naast pratte, parte (zn.) ‘verwaandheid’ [1599; Kil.]; nnl. Wat gaet de Amstel, grootsch en prat Op zyn grote Wereldstat [1750; WNT].
Herkomst onduidelijk. Mogelijk verwant met → praten. Kuhn (1961) wil het woord met → pret afleiden uit een substraattaal en dan zou het verwant zijn met vroed ‘wijs’, zie → vroedvrouw.
Mnd. pratte ‘eigenzinnigheid’; oe. prætt ‘list, streek’; on. prettr ‘list, streek’. Daarbij ook: mnd. prattich ‘hooghartig, grillig’, nnd. pratzig ‘aanmatigend, opschepperig, hooghartig’; oe. prættig ‘sluw’ (ne. pretty ‘lief, mooi’).
Het woord komt meestal voor in de uitdrukking prat gaan op ‘trots zijn op’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prat* [trots] {1546, parte, perte, pratte [list, arrogantie], pratten [trots zijn, pronken, zich verheugen]} vgl. de vormen met metathesis van r: perte, part2 [list]; in de betekenis ‘prat gaan op’ o.i.v. pralen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prat bnw. waarnaast Kil. pratten ‘hovaardig zijn’, nnl. dial. (Ν. Brab.) pratten ‘pruilen’, mnd. pratten ‘prikkelbaar zijn, mokken’. De -tt- is teken van intensivering en dan kan men aanknopen aan praten, vooral wanneer men uitgaat van ‘druk, met ophef praten’ (van Lessen WNT 12, 2, 3898), ofschoon zich daartegen de bet. ‘pruilen, mokken’ schijnt te verzetten. Bovendien vinden wij mnd. pratte ‘eigenzinnigheid’, oe. prætt ‘list, streek’, ne. prat ‘sluw, slim’, die behoren tot de onder part 1 behandelde woorden. — Zie ook: pret.

H. Kuhn ZfdMaf 28, 1961, 7-8 rekent dit woord evenals pret en praten tot de woorden, die met onverschoven tenuis aan een onbekende idg. substraattaal zouden zijn ontleend; de normale verschoven vormen zijn dan vroed en verwanten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

prat bnw., sedert Kil. Verwant zijn de bij part I genoemde woorden. Bij prat sluit zich nog aan Kil. pratten “ferocire, tollere animos, superbire”, nieuw-N.Brab. pratten “pruilen”, mnd. pratten “prikkelbaar zijn, mokken”. Onzeker, maar mogelijk is de combinatie van deze woordfamilie met de bij portelen besproken slav.-balt. woordgroep. De wijd uiteenloopende bett. laten zich vergelijken met die van russ. brodíť “rondzwerven”, met overdr. bet.: bred “wartaal, ijlen”, witruss. brédźic’ “liegen”, po. bredzic’ “leuteren”, dial. breda, bryda “leugen, leuteraar”, lett. bradât “nonsens spreken”. Ofschoon het niet ’t oudst voorkomt, maakt de vorm aannemelijk dat het bnw. *pratta- (ndl. prat) < *brod-nó- een van de oudste germ. woorden van de basis is; het zal “ronddwalend > van het spoor > buitensporig” beteekend hebben. Vgl. voor de rijke bet.-ontwikkeling bij ar II en bijster. Zie nog praten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

prat. Over germ. *pratta- < idg. *brod-nó- zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prat bijv., Mnl. id. + Ndd. prot, Oostfri. prat, Hgd. protzig, brotzig, Ags. prœttig (Eng. pretty), On. prettugr: oorspr. onbek.: z. part 2 en pret.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

brat (E, ZV), bn.: wild, onstuimig (van dieren); brutaal (van mensen). Ook Wvl. Het woord komt voor bij de Brugse rederijker Eduard de Dene (1505-1579): De jonghe ghezellen loopende brat. Var. van Ndl. prat, verwant met Ndl. pralen, brallen.

prats (W), bn.: trots. Afl. van prat 'trots'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

prat* trots 1546 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal