Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

praktijk - (toepassing der theorie; werk van advocaat of arts; ruimte voor werk van advocaat of arts)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

praktijk zn. ‘toepassing der theorie; werk van advocaat of arts; ruimte voor werk van advocaat of arts’
Mnl. practike ‘uitoefening, beoefening, praktijk’ [1240; Bern.], die wiser is dan enich paep van gramarien inder practiken ‘die kundiger is in de taalbeoefening dan enig geestelijke’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. practike, practijke ‘uitoefening, bedrijvigheid, bezigheid’, in met dier practiken onderhielt si haer meest ‘met die praktijken, bedrijvigheden hield zij zich meestal bezig’ [1510-30; MNW-P], practijcke ‘beoefening, toepassing in handwerk of kunst’ [1599; Kil.], ‘kwalijke bezigheden’ in sinistre listen ende practijcken ‘sinistere listen en bezigheden’ [16e eeuw; MNW lore], ‘het doen, de daad, de werkelijkheid’ in dese Theorie ... in practijcq gestelt [1627; WNT], ‘beroepsuitoefening door advocaat, geneesheer enz.’ in UE. soude groote winste hier met de prattijcke connen doen ‘u zou hier met uw werk veel winst kunnen maken’ [ca. 1625; WNT], in de geneeskundige practijck [1666; WNT]; nnl. practijcke, praktijk bij overdracht ook ‘clientèle van arts enz.’ in hij had nog zoo goed als in het geheel geen praktijk [1840; WNT], ‘dagelijkse werkelijkheid’ in wat de nuchtere praktijk betreft [1904; WNT], in de samenstelling praktijkruimte ‘ruimte voor werk als arts, advocaat enz.’ in het bouwen van een praktijkruimte met woonhuis [1962; Soester Courant], verkort tot praktijk ‘id.’ in geschikt voor winkel, showroom, atelier, kantoor, praktijk [1980; Soester Courant].
Ontleend, zowel via Oudfrans pra(c)tique (Nieuwfrans pratique) als rechtstreeks, aan middeleeuws Latijn practica ‘praktijk; bekende of praktische kennis’, ontleend aan Grieks prāktikḗ (tékhnē) ‘praktische kennis, handigheid’, vrouwelijk enkelvoud van prāktikós ‘praktisch, werkzaam’, afleiding van prā́ttein, Attische variant van prā́ssein ‘handelen, doen’, van dezelfde wortel als poreúein ‘vervoeren, dragen’, zie → porie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

praktijk [toepassing] {pra(c)tike 1201-1250} < frans pratique of direct < middeleeuws latijn practica < grieks praktikè, het zelfstandig gebruikt vr. van praktikos [bedrijvig, in de praktijk], van praktos, verl. deelw. van prattein [volbrengen, verrichten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

praktijk znw. v., mnl. praktîke, pratîke v. < lat. practica < gr. prāktikḗ resp. < ofra. pratique, practique.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

praktijk znw., mnl. praktîke, pratîke v. Uit lat. practica (gr. praktikḗ resp. fr. pratique, ofr. ook practique. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pratijk, partijk, zn.: slimheid, list, loze streek. Ook Wvl. pratijke ‘behendigheid’ (De Bo). Afl. van Mnl. pra(c)tike ‘kunstgreep, praktijk’, Vnnl. pracktijcke ‘bedrevenheid, kunstgreep’ (Kiliaan). Fr., Ofr. pratique < Mlat. practica < Gr. praktikê ‘op de praktijk gerichte wetenschap’. Metathesis prat/part. Afl. pratijkig, partijkig ‘listig, loos, arglistig, doortrapt’. Vnnl. pracktijckigh ‘bedreven, vulgo practicus’ (Kiliaan).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

prateke, parteke (ZO), zn. v.: praktijk. Mnl. pra(c)tike 'praktijk, kunstgreep', Fr., Ofr. pratique < Mlat. practica < Gr. praktikê 'op de praktijk gerichte wetenschap'. Parteke met metathesis. Vgl. partijkig, patrijkig.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

praktyk s.nw.
1. Daad, veral bedrieglike daad, streek. 2. Toepassing van (teoretiese) kennis en reëls. 3. Beroepswerksaamheid van 'n professionele persoon. 4. Pasiënte of kliënte van 'n praktyk (praktyk 3).
Uit Ndl. praktijk (al Mnl. in bet. 1, 1633 in bet. 2, 1657 in bet. 3, 1861 in bet. 4). Uit die bet. 'daad' (bet. 1) het die bet. 'gedagte' (bet. 2) ontwikkel, terwyl deur oordrag bet. 4 uit bet. 3 ontwikkel het.
Ndl. praktijk uit Fr. pratique.
D. Praxis, Eng. practice.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

praktyk: beroepswerksaamheid; teenoorgestelde v. teorie; Ndl. praktijk (Mnl. pra(k)tīke), Hd. praxis, Eng. practice, via Ofr. pra(c)tique uit Lat. practica uit Gr. praktikê.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

praktijk ‘toepassing’ -> Indonesisch prakték ‘toepassing’; Jakartaans-Maleis peraktèk ‘toepassing’; Javaans praktik ‘toepassing’; Madoerees paraktek ‘toepassing’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

beste praktijk. Letterlijke vertaling van Engels best practice; Ik weet dat het beetje laat is, maar de beste praktijk is gewoon een nieuwe NIC bijvoegen en testen dat een andere PC kan server zien via nieuwe kaart en dan de oude kaart verwijderen. (2000); Deze beste praktijk fungeert als een referentiekader voor de instellingen die niet efficiënt zijn; zij kunnen zich aan de efficiënte instellingen spiegelen; Een benchmark is een vergelijking van organisaties op basis van vooraf vastgestelde indicatoren. Hieruit is een beste praktijk te destilleren.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

praktijk toepassing 1240 [Bern.] <Frans of Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal