Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

prachen - (bluffen, pronken, smeken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

prachen [bluffen, pronken, smeken] {1501-1525 als ‘smeken’; de betekenis ‘pronken’ 1611; de betekenis ‘bluffen’ 1624} waarschijnlijk < verouderd hoogduits prachen, vgl. Pracher [bedelaar], 16e eeuw, uit het slavisch, vgl. bv. oekraïens prochaty [verzoeken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

prachen ww. ‘bluffen, pralen’, ouder-nnl.; daarnaast bij Kiliaen prachen, pracheren ‘bedelen’, mnd. pracheren afl. van pracher ‘bedelaar’ (vgl. Schuppe, Neuphil. Mitt. 27, 1926, 12) < nhd. pracher, dat voor het eerst in 1559 als scheldwoord in Breslau voorkomt. Het woord is van oostelijke herkomst, vgl. nog een oude veldnaam prachetog in Neu-Stettin ‘armelijke visplaats’ en daarom is herkomst uit het slav. wel waarschijnlijk, vgl. oudpools dial, pracharz ‘bedelaar’ en oekrains prochaty ‘verzoeken, bedelen’ van de idg. wt. *prek, waartoe ook vragen behoort (vgl. nog Senn, JEGPh 32, 1933, 527).

Ofschoon prachen in het nnl. ook betekenen kan ‘luid spreken’, maar ook ‘zacht onderdrukt spreken’, is er geen aanleiding van een nnl. klankwoord uit te gaan, met de betekenis ‘geluid van slag of stoot’ met een verdere ontwikkeling > ‘stoten, knellen, knijpen’ > ‘gierig zijn’ (J. H. van Lessen WNT 12, 2, 3807). Voor zulk een woord kan men wijzen op prakken. — Bij de overname van een vreemd woord kunnen belangrijke betekenis-verschuivingen plaats hebben; gaat men uit van ‘bedelen’, dan kan men ook komen tot die van ‘onderdrukt spreken’, maar ook ‘brutaal en luid eisen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

prachen ww., sedert het oudere Nnl. = mnd. *prachen, waarvan pracher m. “bedelaar”, pracheren “bedelen, opbedelen”. Identisch met Kil. prach(er)en “zuinig, gierig leven”. Vgl. oostfri. prakken “persen, drukken”, ouder-de. prakke “samenschrapen, zich verwerven”, prakker “bedelaar”, zw. pracka “met gemeene middelen zijn voordeel zoeken”. De skandin. woorden uit het Ndd. De oorspr. bet. was wsch. “plukken, schrapen”. De vormen zijn te verklaren uit germ. praχ- (waarnaast prakk-, zoo ’t oud is uit broḱ-n- of broq-n-). Mogelijk, maar hoogst onzeker is verwantschap met obg. brĭselije “scherven”, russ.-ksl. brŭsnuti “schaven, scheren”: basis brek-, broḱ-, breḱ-, broḱ-. Hierbij ook lat. broccus “met vooruitstaande tanden”? Ohd. prâhhen, brâhhen “indrukken, beitelen” (nhd. prägen) hoort niet met prachen samen, maar met ags. â-bracian “caelare”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

prachen. Wellicht evenals de scand. woorden aan het du. ontleend. Voor het du. woord komt ernstig in aanmerking de afl. (door *Schuppe Neuphil. Mitt. 27, 12) uit het Slav. (hd. pracher m. 1559 Breslau): vgl. klruss. procháty ‘vragen, verzoeken’, po. dial. procha ‘het bedelen’, die in de groep van obg. prositi ‘verzoeken’ (zie bij vraag) behoren. Oostfri. prakken ‘drukken, persen’ zal dan van de ndd. hd. woorden moeten worden gescheiden: het is wsch. identisch met nnl. dial. (holl. gron.) prakken ‘eten (met de vork) fijnmaken’, blijkbaar een jong woord, waarvoor geen bevredigende etymologie is gegeven (: opgekomen onder invloed van prangen?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

prachen ono.w., + Ndd. en Hgd. prachern, Meng. prokken, Zw. pracka: intensief van prangen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal