Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

potten - (in een pot doen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pot 1 zn. ‘vaatwerk’
Onl. wrsch. al in het toponiem potflit ‘beek te Antwerpen’, letterlijk ‘Potvliet’ [1148; Gysseling 1960]; mnl. pot ‘vaatwerk’ in de samenstelling potte makere ‘pottenmaker’ [1240; Bern.], ande do dat in einen pot ‘en doe dat in een pot’ [1250; VMNW], enen pot wines ‘een kan wijn’ [1280-87; CG I], ook al vroeg overdrachtelijk pot ‘geldkas, fonds’ [1299; VMNW]; vnnl. ‘door een persoon gespaard geld’ [1599; Kil.]; nnl. ‘inleg (bij spelen)’ [1855-57; WNT].
Herkomst onduidelijk. Frings neemt aan dat het woord is overgenomen uit het Romaans, Oudfrans pot [1120; Rey]. Algemeen wordt aangenomen dat dit teruggaat op een voor-Keltisch substraatwoord *pott-. Mogelijk is dan ook het Germaanse woord direct overgenomen uit een substraattaal.
Mnd. pot, put ‘pot’ (en door ontlening on. pottr > nde. pot), Rijnlands pot [12e eeuw; Pfeifer] (ontleend als nhd. Pott); ofri. pot (nfri. pôt); oe. pott (ne. pot).
potten ww. ‘in een pot doen’. Vnnl. Die tghelt potten ‘die het geld in een pot doen’ [1555; WNT]. Afleiding van pot.
Lit.: Frings 1968, 111

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

potten ww., sedert Kil. Van pot. Mnl., mnd. wel al potter m. “pottenbakker”.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal