Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

postelein - (groente)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

postelein zn. ‘groente’
Mnl. porceleine (en varianten) ‘postelein’ in nemt dat sap van den pourceleine ‘neem het sap van de postelein’ [1351; MNW-P], porceleyne ‘postelein’ [1453; MNW porceleine]; vnnl. posteleyn ‘id.’ in besaeyen met posteleyn ‘bezaaien met postelein’ [1659; iWNT].
Ontstaan uit vnnl. porselein ‘postelein’, wrsch. via overgangsvormen poslein en posselijn (WNT), hoewel die pas laat [1907; WNT] zijn geattesteerd. Het woord is ontleend aan Oudfrans porcelaine ‘postelein’ [14e eeuw; FEW], dat ontleend is aan Italiaans porcellana ‘groente’ [1310; DELI], via vulgair Latijn *porcillana ontwikkeld uit klassiek Latijn porcil(l)āca, een nevenvorm bij Plinius van portulāca ‘groente’. Deze nevenvorm is misschien ontstaan door volksetymologische invloed van porcus ‘varken’, omdat varkens de groente graag zouden eten (WNT).
In het Italiaans, Oudfrans en Middelnederlands is het woord homoniem met het woord voor ‘porselein’, zie → porselein. In het West-Vlaams luidt de vorm ook nog steeds porcelaine of porseleine ‘postelein’. In het Frans werd de homonymie opgeheven door de introductie van een ander woord pourpier ‘postelein’. In het Nieuwnederlands behield de nieuwe vorm postelein, aanvankelijk slechts een nevenvorm zonder betekenisverschil, op den duur alleen nog de betekenis ‘groente’ en behield de oorspr. vorm porselein de betekenis ‘aardewerk’. Het Engels heeft de twee betekenissen via verschillende wegen ontleend, wat geresulteerd heeft in het woordenpaar porcelain ‘porselein’ en purslane ‘postelein’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

porselein2 [groente] {porceleine, porseleine 1351} < oudfrans porcelaine < italiaans porcellana < latijn porcillaca, portulaca, van portula, verkleiningsvorm van porta [poort, deur], naar de opening in de zaaddoosjes (vgl. postelein).

postelein [plantengeslacht] {1659} gevormd van porselein2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

porselein 2 znw. ‘groente’, zie: postelein.

postelein znw. m., sedert 1659 bekend, is over tussenvormen als posselein vervormd uit ouder porselein, mnl. porcelaine < ofra. porcelaine < ital. porcellana, dat zelf weer gemaakt werd uit lat. portulāca ( > ohd. purzela, burzala, nhd. burzel). Uit de fra. of ital. vormen komen ook ohd. purcelān en ne. purslain. Het mnl. kent nog een andere vervorming portuleine.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

porselein II (groente), mnl. porceleine v. Uit ofr. porcelaine = it. porcellana, een vervorming van lat. portulâca “postelein”, waarop ook ohd. purzela, burzala v. (nhd. burzel m.) “id.” teruggaat. Van denzelfden vervormden grondvorm als ons porselein komen ohd. purcelân, eng. purslain “id.”. Ndl. vervormingen zijn mnl. portuleine, nnl. postelein (nog niet bij Kil,).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

postelein o., gelijk Eng. purslane en Ofra. pourcelaine, uit Lat. porcilacam (-a), bijvorm van portulaca.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

porselein, zn.: postelein, portulak, Portulaca oleracea. Ook Wvl. porcelaine. Mnl. porceleine, porseleine, Vnnl. porceleine cruud ‘pourpier’ (Lambrecht), porceleyne, porceleynkruyd ‘portulaca’ (Kiliaan) < Ofr. porcelaine < It. porcellana < Lat. porcillaca, portulâca < portula, dim. van porta ‘deur’, vanwege de openingen in de zaaddoosjes. Vgl. D. Burzel(kraut) < Ohd. purzela, burzala < Lat.portulâca. Ohd. purcelân, E. purslain.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

pors(e)leine (ZO), poslène (E), postelein (G, W), zn.: postelein, portulaka, Portulaca oleracea. Ook Kortrijks porcelaine. Mnl. porceleine, porseleine, Vnnl. porceleine cruud 'pourpier' (Lambrecht), porceleyne, porceleynkruyd 'portulaca' (Kiliaan) < Ofr. porcelaine < It. porcellana < Lat. porcillaca, portulâca < portula, dim. van porta 'deur', vanwege de openingen in de zaaddoosjes, die a.h.w. met een dekseltje of deurtje opengaan. D. Portulak. Vgl. D. Burzel(kraut) < Ohd. purzela, burzala < Lat. portulâca. Ohd. purcelân, E. purslain. Gents postelein, zoals in het Ndl., met assimilatie rs/s en t-epenthesis.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

postelein s.nw.
Tipe plant wat as groente gebruik word.
Uit Ndl. postelein (1659). Die plant, wat hier wild groei, is uit Nederland aan die Kaap ingevoer. Die oorspr. Ndl. benaming was porselein, en postelein is 'n fonetiese vervorming daarvan met die oudste sitaat in die WNT, nl. 1659, by Van Riebeeck (1651 - 1662).
Vgl. porselein.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

porcelaine 1 (K), zn. v.: postelein, portulak, Portulaca oleracea. Mnl. porceleine, porseleine, Vroegnnl. porceleine cruud ‘pourpier’ (Lambrecht), porceleyne, porceleynkruyd ‘portulaca’ (Kiliaan) < Ofr. porcelaine < It. porcellana < Lat. porcillaca, portulaca < portula, dim. van porta ‘deur’, vanwege de openingen in de zaaddoosjes. Vgl. D. Burzel(kraut) < Ohd. purzela, burzała < Lat. portulaca. ühd. purcelân, E. purslain.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

porselein’ (de), wilde en gekweekte inheemse bladgroente (Talinum triangulare, Posteleinfamilie*). - Etym.: Zie het syn. postelein*. S posren. - Samenst.: strand-*, zwamp-* en zeeporselein*.

postelein’ (de), wilde en gekweekte inheemse bladgroente (Talinum triangulare, Posteleinfamilie*). De posteleinblaadjes van de stelen halen en zorgvuldig wassen (Voeding goed 30). - Etym.: Lijkt naar uiterlijk en smaak op de verwante AN p. (Portulaca oleracea), S gronposren, die in Suriname verwilderd voorkomt en ook gegeten wordt, maar niet gekweekt. Oudste vindpl. Lammens 1822; 1982: 75. Ook de oudere naam porselein* wordt veel gebr. - Opm.: In het voormalige NOI werd de plant ’Surinaamse postelein’ genoemd (Stahel 1944: 11). Samenst. strand-*, zwamp-* en zeepostelein*.

Postelein’familie (de), (AN) bepaalde plantenfamilie (Portulacaceae). - Etym.: Genoemd naar AN postelein (Portulaca oleracea); zie ook SN postelein*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

postelein: – porslein – , pln. (spp. Portulaca, fam. Portulaceae); Ndl. postelein/porcelein/porselein (by vRieb porceleyn(groente)/posteleyn (1659) seker d. dokg. d. dVri J NEW bedoel), Eng. purslane/purslain, Fr. porcelain, It. porcellana naas porcillaca (onder invl. v. Lat. porcus, “vark”, omdat varke graag d. plant vreet) naas portulaca (verb. m. Lat. portula, dim. v. porta, “hek, poort”, n.a.v. vorm v. vrugkapsel); v. porslein II en portulak.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Porselein en Postelein; de vorm met r is in beide bet. (aardewerk en groente) de eigenl. juiste. Voor aardewerk wordt nu alleen porselein gezegd; dit komt uit fr. porcelaine, in ’t Ital. eig. de naam van een schelp (Concha Veneris, Venusschelp), en later gebruikt voor het fijne aardewerk, dat overeenkomst vertoont met die schelp.
Voor de groente gebruikt men beide vormen; zij zijn overgenomen uit fr. porcelaine, dat echter kwam van een der vervormingen van ’t lat. portulaca; uit porselein, zal porstelein, en daaruit postelein ontstaan zijn.

Porselein en Postelein; de vorm met r is in beide bet. (aardewerk en groente) de eigenl. juiste. Voor aardewerk wordt nu alleen porselein gezegd; dit komt uit fr. porcelaine, in ’t Ital. eig. de naam van een schelp (Concha Veneris, Venusschelp), en later gebruikt voor het fijne aardewerk, dat overeenkomst vertoont met die schelp.
Voor de groente gebruikt men beide vormen; zij zijn overgenomen uit fr. porcelaine, dat echter kwam van een der vervormingen van ’t lat. portulaca; uit porselein, zal porstelein, en daaruit postelein ontstaan zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

postelein ‘plantengeslacht’ -> Sranantongo posren ‘plantengeslacht, groentesoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

postelein plantengeslacht 1659 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal