Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poot - (loot)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poot 2 znw. v. ‘loot, stek’, mnl. pōte v., mnd. pōte, potte m. v. is een verbaalnomen bij poten.

J.H. van Lessen WNT 12, 2, 3404 beschouwt het als aequivalent met poot 1 en wel eveneens als een klankwoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poot II (loot, stek), mnl. pōte v. “stek, poot”. = mnd. pōte (potte) m. v. Van het ww. poten, mnl. pōten “in den grond steken, vastzetten, enten”, mnd. pōten (potten) “poten, planten”, ags. potian “stooten, slaan” (hierbij ook eng. to put “leggen, steken”), ijsl. pota “steken”. Oorsprong onzeker. Een idg. bud- “steken” of “slaan” is van elders niet bekend. De combinatie met oi. bundá- “pijl” is een ongemotiveerd vermoeden. Ook is identiteit met de semantisch afwijkende basis, die bij puit ter sprake komt, niet aannemelijk. Zie nog peuteren, vooral ook porren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

poot II (loot, stek). Men beschouwt het ww. poten wel als ontleend aan lat. imputâre (vgl. enten); zo Brøndal Substr. og Laan 174 vlg., Frings Germ. Rom. 168 vlg. Met het oog op het geheel ontbreken van de technische bet. in ags. potian (eng. to put) is het misschien juister aan te nemen dat op het vasteland een germ. woord met het lat. woord is dooreengelopen en onder invloed daarvan is gespecialiseerd in betekenis. Een dergelijk verloop zou mede het afvallen van im- kunnen verklaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poot 2 v. (loot), Mnl. pote + Ndd. pate, De. pode: verbaalabstr. van poten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

poot, zn.: gele wortel. Verschoven betekenis van Ndl. poot ‘stekje, loot’, Mnl. pote ‘stek, scheuten’, van het ww. poten. De GVD geeft als gew. bet. ook ‘rode biet’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

poot, zn.: wortel, peen. Vnnl. poote, pote, peë ‘peen’ (Kiliaan). Vermoedelijk hetzelfde woord als Mnl. pote ‘stek, lot, scheut’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

poot, poëet gele wortel (Belgisch-Limburg). = nl. poot ‘loot, stek’. = mnl. poot, pote = nl. poot ‘bep. lichaamsdeel’ = hgd. pfote. Wschl. een substraatwoord, mede gezien de begin -p.
Roukens 338-340 + krt. 70, EW 291-292, WNT XII 3388, 3401-3406.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal