Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poorter - (burger)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

poorter zn. ‘burger’
Mnl. porter, portere ‘stedeling, burger met rechten’ in alle de porters ‘al de ingezetenen van de stad’ [1236; VMNW], inder seluer vriheden dar die portres in sijn ‘met dezelfde privileges als de stadsbewoners hebben’ [1254; VMNW]; vnnl. poorter ‘burger’ [1599; Kil.].
Afleiding van → poort ‘stad’ met het achtervoegsel -er, zie → -aar. Een poorter is dus ‘iemand die in de stad, woont’. Zie ook → burger, dat in het Middelnederlands synoniem was.
Lit.: Debrabandere 2000, 61

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poorter1 [burger] {porter, poorter [stedeling] 1236} van middelnederlands port, poort [haven, havenstad, stad], waarbij poort in tegenstelling tot stad een plaats is die niet tot een afzonderlijke rechtskring is verheven; < latijn portus [haven], verwant met porta [poort] (vgl. voorde).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poorter znw. m., mnl. poorter, porter m. ‘stedeling, poorter’, een afl. van mnl. poort, port v. (vooral vla.) ‘stad’, Kiliaen poort (Ger. Sax. Fland.) ‘haven’, mhd. port m. o., porte v. ‘haven’, oe. port m. o. ‘haven, stad’ (ne. port) > lat. portus ‘haven’, in mlat. ook ‘stad’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poorter znw., mnl. poorter, porter m. “stedeling, burger”. Afl. van mnl. poort, port v. (vooral vla.) “stad” = Kil. poort (“Ger. Sax. Fland.”) “haven”, mhd. port m. o., porte v. “id.”, ags. port m. o. “id., stad” (eng. port). Uit lat. portus “haven”, mlat. ook “stad”; evenzoo dial. ofr. port. Dat mnl. poort niet = nnl. poort is, blijkt ten overvloede nog uit het vormverschil in het Mnl. Mnd. porter m. “poorter” uit het Ndl. Vgl. burger.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poorter m., Mnl. id., van Mnl. poort = stad, niet hetz. w. als poort, maar gelijk Mhd. en Ags. port, uit Lat. portum (-us) = haven, verwant met porta (z. poort).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

pôôter (-en-burger) kind aan huis (Zeeland). Het eerste deel = mnl. poorter ‘stadsbewoner’, afl. van mnl. poort ‘stad’ (« lat. portus ‘haven’ of « fra. port ‘haven’), wel te onderscheiden van nl. poort ‘grote deur’ « fra. porte ‘deur’ of « lat. porta ‘deur’.
Ghijsen 741, Mnl Wb VI 583-584, 592.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Poort, van ’t Lat. porta = deur. Portus was in ’t Lat. haven en bij uitbreiding stapelplaats, stad. Vandaar ons Mnl. „poort” = stad en hiervan poorter = stadsburger.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poorter burger 1236 [CG I1, 21]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal