Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poets - (grap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

poets zn. ‘grap, streek’
Mnl. potse ‘kuur, streek’ in de potsen des lighamen ‘de kuren van het lichaam’ [1290-1310; MNW-R]; vnnl. pots, poets ‘kunst, goocheltoer’ in het vol-voeren van potsen, bootsen en grillen ‘het vertonen van kunsten, grappen en zotte invallen’ [1615; WNT pots I], ‘streek, list’ in al mijn potsen [1670; WNT pots I], poetsen ... daerdoor hy hem sal vreken ‘streken waarmee hij zich zal wreken’ [1671; WNT], ‘grap, plagerij’ in hoe de poets noch af-lopen sal [1674; WNT]; nnl. pots, poets ‘grap, fopperij, plagerij’ in die pots van laatst [1715; WNT pots I], een lelijke pots te bakken [1784; WNT pots I], een poets bakken [1786; WNT].
Wellicht (FvW) is het woord een afleiding van het klanknabootsende werkwoord poetsen ‘stoten, slaan, botsen’, met als varianten patsen en petsen, zie → pets, en → botsen, waarbij de oorspr. betekenis iets was als ‘uitgedeelde klap’, dus een ‘streek’, een ‘kunstige toer’, enz. Een andere mogelijkheid, zie bijv. de vindplaats uit 1615, is dat poets, pots hetzelfde woord is als mnl. bootse, boetse ‘bult’, vnnl. ‘opgelegde knop of versiering op bouwwerk, koddige versiering’, zie → boetseren, waarbij de p- dan veroorzaakt zou zijn door associatie met Middelhoogduits posse ‘poets, klucht’, ouder ook ‘oplegsel’, van dezelfde Romaanse herkomst als bootse.
Mnd. putze, pusse, posse ‘grap, streek’ (waaruit nzw. puts ‘streek’); nhd. Posse ‘klucht’.
De vorm pots is vooral bewaard gebleven in de samenstelling potsenmaker ‘grappenmaker, kluchtspeler, clown’ [1662; WNT zotternij].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poets [grap] {1671} mogelijk < middelhoogduits putze [grap], nevenvorm van Posse (vgl. potsierlijk).

pots1 [grap] {1720} nevenvorm van poets.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

poets

Het woord poets komt alleen voor in de zegswijze: iemand een poets bakken, hetgeen betekent: iemand een kool stoven, of – zoals men vroeger zei –: iemand een worst braden. Men zegt ook wel: iemand een loer draaien. Het woord poets komt in het Middelnederlands voor in de vormen bootse, dat vervormd werd tot potse, een woord dat wij nog kennen in potsenmaker. Het Duits heeft Posse. Al deze woorden betekenen: grap, streek die men iemand speelt, maar de eigenlijke betekenis is: bult, knop, stuk steen, houten bal. Voor de overgang tot grap kan men vergelijken de woorden mop, bak en het oude woord clute of kluit, die alle oorspronkelijk betekenden: brok en daarna: aardigheid, grap. Men denke aan de zegswijze: iemand met een kluitje in het riet sturen (zie bij kluitje).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poets znw. v. of pots, eerst nnl., maar mnd. putze, pusse, posse m. ‘poets’, vgl. oostmnl. potse ‘kuur, streek’. Mocht het woord uit het oosten gekomen zijn, dan kan men van nnd. putze uitgaan, die ook overgenomen is in nde. puds, nzw. puts en het dan gelijkstellen (met klanksubstitutie of -intensivering) aan nhd. posse dat eig. ‘sieraad aan beeldhouwgroepen’ betekent en afgeleid zal zijn < fra. )ouvrage à) bosse, reeds voor 1445 vooral voor ‘grappige figuren aan fonteinen’. Het woord bosse ‘verhevenheid’ stamt zelf weer uit ofrank. *bōtja ‘uitspruitsel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poets, pots znw., nog niet bij Kil. Gew. neemt men identiteit met mnl. bootse (zie bootsen) aan. Den afwijkenden vorm verklaart men dan door invloed van hd. posse v. “poets, grap”, oudnhd. ook “oplegsel, bijwerk bij kunstvoorwerpen”, waarvoor men denzelfden rom. oorsprong als voor bootse aanneemt. Met ’t oog echter op mnd. putze, pusse, posse m. “poets”, waarmee oostmnl. (Limb. Serm.) potse “kuur, streek” identisch kan zijn, moeten wij veeleer naast het uit ’t Rom. ontleende hd. posse “oplegsel” een oorspr. germ. woord voor “poets, grap” aannemen. Dit kan allerlei grondbett. gehad hebben (vgl. ndl. mop, bak, ui “grap”); dat feit maakt de etymologie onzeker. Bij pot? Kan wellicht de verbinding mnd. ênem ênen pussen rîten, hd. possen reissen (reeds 1540 bossen reissen) den weg wijzen? De ndl. oe berust wsch. op nd. invloed; vgl. de. puds, zw. puts “poets”, uit ’t Ndd. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poets 1 v. (klucht), uit Hgd. posse, bijvorm van boots.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1poets s.nw.
Onaangename grap.
Uit Ndl. poets (1671).
Ndl. poets uit D. Putze, 'n wisselvorm van Posse 'grap'.
Vgl. potsierlik.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poets I: grap, streek; Ndl. poets/pots, “grap” (OMnl. potse, “streek”, nog nie by Kil nie), wsk. loop meer as een Ned. (bv. putze) en Ndl. dial. wd. (bv. poets by Cor-Ver) deureen, terwyl vorme m. anl. p- blb. nog deureenloop m. Ndl. vorme m. anl. b- (boets/ bots/boots) van Rom. herk., asook die bet. “grap; kattekwaad; streek”, en poets II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poets ‘grap’ -> Zweeds puts ‘grap’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poets grap 1671 [WNT] <Duits

pots grap 1704 [Hannot&Hoogstraten]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1852. Iemand een poets spelen (of bakken),

d.w.z. iemand een part spelen; eene kool stoven; een koopje geven (zie no. 1241); een gris bakken; een toer spelen (17de eeuw; fr. jouer un à qqn); hd. jem. einen Possen spielen. Vroeger ook: iemand een pots spelen en bootsen spelen. Dit znw. boots, mnl. bootse, wordt voor identisch gehouden met poets, welks oe moet ontstaan zijn uit een Noordfranschen vorm met ou. De oorspr. bet. is bult, knop, ruwe steen (it. bozzo), houten bal (sp. bocha) en vandaar iets van weinig waarde, onzin, gekheid, grap (vgl. mop, steen en grap; mnl. clute, kluit en grap en zie no. 1420). De vorm poets komt in de 17de eeuw reeds voor naast pots(e). Zie Ndl. Wdb. III, 505 en Lat. Versch. 202-204; Afrik. iemand 'n poets bak. Volgens Franck-v. Wijk, 513 moeten we met 't oog op het mnd. putze, pusse, posse, poets, naast het uit 't Romaansch ontleende hd. posse, oplegsel, veeleer een oorspr. germaansch woord voor ‘poets, grap’ aannemen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal