Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poespas - (drukte)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

poespas* [rare mengelmoes, oorspr. een soort stamppot] {1676} een klanknabootsende vorming die oorspr. ‘dooreengekookte spijs’ betekende en vervolgens figuurlijk werd gebruikt; het woord is vergelijkbaar met engels mish-mash [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

poespas znw. m. ‘raar mengelmoes, rommel’, maar eig. ‘een soort stamppot’, vgl. nhd. puspas ‘gerecht van gesmoorde appelen, peren en pruimen’. Een typisch voorbeeld van woordverdubbeling met klinkervariatie zoals gron. koeskas naast koeskoes ‘dooreenge-mengd’, ne. pishpash, mishmash ‘mengelmoes’. Toch zal men wel mogen uitgaan van een woord poes ‘weke massa’ en daarom zowel ‘brijachtige spijs’ als ‘slijk, modder’ (in Vlaanderen); dan dus met poes 2 te vergelijken. De afl. uit lat. impomenta ‘nagerecht’, die O. Weise ZfdWortf. 2, 1901, 15 voorslaat, wordt ook door beiers postpast ‘nagerecht’ in genen dele gesteund.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

poespas znw., nog niet bij Kil. Een allitereerend-ablautende onomatopoeë. Ook du. dial. Vgl. gron. koeskas (elders koeskoes) “dooreengemengd”, eng. pish-pash, mishmash “poespas, mengelmoes” e.dgl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

poespas m., + Eng. pishpash: onomat. met ablautende redupl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

poespas b.nw., s.nw. (geselstaal; ongewoon)
Deurmekaar, of mengelmoes van 'n aantal sake.
As s.nw. uit Ndl. poespas (1676). Die b.nw. het in Afr. self ontwikkel. Changuion (1844) en Mansvelt (1884) gee nog 'n verdere bet., nl. 'gekneus, verbrysel', ook opgeneem in Patriotwoordeboek (1902), maar aan Scholtz (1972) onbekend, en ook nie in WAT nie. Oorspr. 'n soort hutspot, en daarom wsk. klanknabootsend gevorm n.a.v. die geluid by die omroer van die pruttelende massa.
Vgl. vir ander allitererend-ablautende klanknabootsende vorme D. Puspas, Eng. mishmash en pishpash, Gronings koeskas/koeskoes.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

poespas, poesplas, ploesplas bw.: door elkaar. Deze betekenis staat dicht bij de oorspronkelijke ‘dooreengekookte scheepsspijs’. Speelse reduplicatie, te vergelijken met D. Mischmasch (van mischen ‘mengen’), E. pishpush ‘mengelmoes’, dial. hutsekluts. De pl­-varianten door l-epenthesis (vgl. Wvl. pluumsteen ‘puimsteen’).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

moespas (DB), zn. m.: poespas, dun slijk, modder. Zoals poespas klankex-pressief voor oorspr. ‘dooreengekookte spijs’, waarnaar moes (zie i.v.) duidelijk verwijst. Vgl. E. mish-mash.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

poespas [+]: mengelmoes; Ndl. (17e/18e eeu) poespas, “mengelmoes”, Hd. puspas, “gereg v. gesmoorde appels, pere en pruime”, Gron. koeskas/koeskoes, “deureengemeng”, Eng. mishmash en pishpash, ouer bet. blb. “papperige mengelmassa”, wsk. kn. n.a.v. die geluid by die omroer v. d. massa.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

poespas ‘drukte; (verouderd) dooreengekookte scheepsspijs’ -> Duits Puspas ‘(tijdens Groenlandvaart) gerecht bestaande uit rijst, kruiden en vlees’; Deens † puspas ‘gemengd gerecht bestaande uit vlees, aardappels en groente’; Noors dialect pusspass ‘gemengd gerecht bestaande uit vlees, aardappels en groente’; Indonesisch puspas ‘drukte’; Singalees puspas ‘ratjetoe’; Papiaments puspas (ouder: poespas) ‘gortebrij’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poespas* drukte 1821 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1851. Poespas,

d.w.z. dooreengekookte spijs, een mengelmoes van spijs, wat de Vlamingen een patei noemen (De Bo, 831), allerlei vreemd goed; onzin, drukte. Vgl. Rusting (anno 1712), bl. 32: Soek daar uyt (medicinaal boeken) pillen, brokken, drankken, julaap en poespas, voor de kranken; bl. 99; Harreb. II, 191: Hij heeft al vreemde poespas opgeschept; Leersch. 94: En die heere van de politsei dan, die hadde dat gauw in de smieze en dá was dadelijk mee, en da' heette met wat groote poespas dan zooveel as ophitserij; Nkr. II, 1 Nov. p. 6: Wat kan ons al die poespas schelen? M. de Br. 155: Waar haalde ze dien poespas vandaan? bl. 30: Ze ging zitten zeuren over hartenverdervers en meer van die poespas; Nw. School, VIII, 122; Gunnink, 188: poespas, mengelmoes; De Arbeid, 12 Sept. 1914, p. 2 k. 3: ‘Het Volk’ van 27 Augustus brengt ons nog deze poespas. Dial. heeft poespas de bet. van vreeemdelingen, fortuinzoekers (Molema, 330), fri. hakmak; in Noord-Holland: een morsige plek gronds, slibberige weg (Bouman, 81). Over den oorsprong van dit woord is niets mede te deelen; alleen kan men wijzen op het gron. koeskas = dooreen gemengd, van spijzen gezegd, waarvan men het liever niet had; waarnaast koeskassen, het dooreenmengen; in Overijsel: koeskoes en koezenArchief II, 169., mengen, hutselen; in Zeeland koeskoes, dooreengemengd, waarnaast een ww. koeskoesen (C. Wildsch. II, 147); oostfri. kûskassen. Vgl. voor de vorming het eng. pishpash, applied to a stop of rice-soup with small pieces of meat in it, much used in the Anglo-Indian nursery (Yule and Burnell i.v. 540); mishmash, evenzeer een mengelmoesZie Museum I, 12 en Zeitschr. f.d. D. Unterricht, XIX, 525., bij ons mismas (hd. misch-masch), vanwaar mismassen (W. Leevend VI, 240), op eene ruwe wijze dooreenmengenDe Jager, Verscheidenheden, 160; Spaan, 120 en vgl. Br. v. Abr. Bl. II, 181: verpoespassen.; Zuidnl. kipkap, mengeling van stukjes vleesch; hosseldebrossel, warboel; ook aardappelen met pap. Zie no. 1519.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal