Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

poep - (in pejoratieve samenstellingen; zeer)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

poepchinees: (racistisch) Chinees. O.a. gesignaleerd door Jansen (1984). Meer algemeen ook gebruikt voor ‘een raar persoon’ (zie Laps). Woorden zoals poep- en schijt- komen meer voor als eerste lid van een samenstelling. Ze kunnen beschouwd worden als versterkend voorvoegsel.

De oudste, acht jaar, Vlaamse tongval, Haagse bluf, bekijkt de Koreaan van onder tot boven en concludeert hardop dat hij een erg grote mond heeft. Later rept ze van een ‘Poepchinees’. (de Volkskrant, 23/06/1990)
Hij viel neer op de grond, van uitputting en vol ongeloof. Over zijn eigen prestatie en die van zijn maatje Keen, maar vooral over die van die rare poepchinees. (Trouw, 05/05/1995)
Ik probeer lachend duidelijk te maken dat ik hen slechts een beetje probeer te plagen met een geinige boutade over kontneuken, maar die gore poepchinees van een eigenaar onderbreekt me door ons toe te bijten dat we kunnen vertrekken als we niets meer bestellen dan groene thee. (Ronald Giphart, Phileine zegt sorry, 1996)

poepdoos: bangerik; angsthaas*. Vgl. schijthuis*.

‘Sekreten!’ hoonde de overmoedige Tolman. ‘Poepdozen! Kom es op!’ (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)

poephark: (studententaal, negentiende eeuw) vent zonder karakter; slappeling. Vooral in de verbinding vervelende poephark.

poeproeier: homoseksueel. Ook wel poepstamper. Vgl. de Engelse slangterm anal groundsman.

Homofielen zijn poten, poeproeiers, mietjes… (Harrie Jekkers & Koos Meinderts, Uit de school geklapt, 1985)

poepzak: dik, mollig kind. Ook een scheldwoord voor een dikke man of vrouw. Vermeld in het WNT zonder vindplaats.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

poepduur* zeer duur 1991 [Hoppenbrouwers]

poepielink* zeer link 1991 [Hoppenbrouwers]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

poepgrijper, -happer, apparaat om hondenpoep mee op te scheppen. Poephapper ook, in het meervoud, schertsend voor schoenzolen met een diep profiel, waar veel poep tussen blijft zitten wanneer men in een hondendrol trapt.

Hondebezitters in deze plaats worden bovendien verplicht een ‘poepgrijper’ bij zich te hebben, een die gratis door de gemeente wordt verstrekt of een eigen apparaat. Voor het geval de hond zich ontlast op plekken waar dit verboden is. (De Volkskrant, 25/08/89)
De Dog-Boy is een handzaam, lichtgewicht stokje waaraan een ‘poephapper’ is bevestigd. De tangen kunnen zich maar liefst vijftien centimeter openen. Bukken is nauwelijks nodig, het zakje met inhoud is eenvoudig te verwijderen en er wordt zelfs een poeder bijgeleverd om — zonodig — de substantie te verharden. (Elsevier, 09/05/92)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal