Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plein - (open ruimte in de bebouwde kom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

plein zn. ‘open ruimte in de bebouwde kom’
Mnl. ‘open vlakte’ in dus quam min her walewein buten dat wout aen een plein ghereden ‘zo kwam ridder Walewein te paard buiten het bos in een open vlakte’ [1276-1300; CG II], Laghen .iij. daghe in den pleine ‘lagen drie dagen in de vlakte, het dal’ [1285; CG II], jnt plein neuen babilone ‘in de vlakte bij Babylon’ [1287; CG II]; nnl. plein “open ruimte in eene stadt, omringt met Gebouwen, het zy tot cieraad, of tot gemak van den koophandel” [1730; Marin], publicque Straaten, Gragten en Pleinen ‘openbare straten, grachten en pleinen’ [1764; WNT].
Ontleend aan Oudfrans plain ‘vlakte’ [ca. 1155; Rey] (Nieuwfrans plaine), ontwikkeld uit Latijn plānum ‘vlakte, oppervlakte’, het onzijdige enkelvoud van het bn. plānus ‘vlak, plat’.
De huidige betekenis ‘open ruimte in de stad’ is in het Nederlands ontstaan. In het Middelnederlands is deze echter nog betrekkelijk zeldzaam en werd hiervoor meestal het woord plaetse gebruikt (zo heette bijv. de Dam in Amsterdam), zie → plaats. Later werd dat woord vervangen door plein.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plein [open ruimte] {plein, plain [vlak veld, ook in een stad] 1285} < oudfrans plain [idem] < latijn planum [vlak veld], het zelfstandig gebruikt o. van planus [vlak] (vgl. plan).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plein znw. o., mnl. plein o.m. ‘vlakte, veld, open ruimteʼ < ofra. plain < lat. plānum. — Zie ook: plan en plaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plein znw. o., dial. met ruimer bet.-sfeer dan in de schrijftaal, mnl. plein o. (m.) “vlakte, veld, open ruimte”. Evenals eng. plain “vlakte, veld” uit ofr. plain < lat. plânum. Zie bij plan en vgl. grein : graan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plein o., uit Ofra. plain (thans plaine), zelfst. gebr. adj. plain, Lat. planum (-us) = vlak (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

plein 1, zn.: plan, plattegrond. Vnnl. pleyn, effen ’planus’ (Kiliaan). Fr. plain ‘vlak, effen’ < Lat. planus. Door de homonymie met plein werd Fr. plain vervangen door plan.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1plein s.nw.
Onbeboude ruimte, gewoonlik in die sentrum van 'n dorp of stad.
Uit Ndl. plein (al Mnl.).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1815).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

plein 1, zn. o., uitspr. pling: plein; dorsvloer op de akker (DB). Ofr. plain ‘vlakte, plein’ < Lat. planum ‘vlakte’.

plein 2, bn., bw., uitspr. pling: klaar, zuiver, louter, duidelijk. Mnl. plein ‘duidelijk’. Zoals E. plain < Ofr. plain < Lat. planus. Of uit Fr. plein ‘volkomen, volledig’ < Lat. plenus?

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

plein: het Plein, kort voor een plein in Paramaribo, dat achtereenvolgens heette Plein, Gouvernementsplein, Oranjeplein, Onafhankelijkheidsplein; thans Eenheidsplein. Ik zeg tegen mijn moeder dat ik groot genoeg ben om ’s middags alleen naar het Plein of naar de Palmentuin* te gaan om te spelen (Pos 1985: 29).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

plein: verfraaide oop ruimte in dorp of stad; Ndl. plein (Mnl. plein, “oop ruimte, vlakte”), soos Eng. plain, uit Ofr. plain uit Lat. planum (ons. vorm. v. planus, “gelyk”, eintl. dus “gelyk vlakte”).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

plein 'open vlakte'
Ontleend aan Oudfrans plain 'vlakte', uit lat. plânum 'vlakte, oppervlakte', bij plânus 'vlak, plat'. In het Nederlands specialiseerde de betekenis zich tot 'open ruimte in de bebouwde kom'.

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

plein: voor Amsterdamse joden was ‘het plein’ het Waterlooplein.

— Leeg is ’t Waterlooplein. Ere zij z’n rommel, op Sjabbos en Jomtov is ’t opgeruimd. Kun je onbelemmerd staren van overkant naar overkant. Van Vlooienburg naar Lazarussteeg. Van Turfsteeg naar Vlooienburgersteeg. Kun je elkander wuiven van puin-schuit naar sjkome-sjoel, van ’t huis van Spinoza naar de loods van Kobie Raap. Dan juichen de bomen van ’t Plein en klappen in de handen, omdat God gekomen is, om ’t veld te richten. (M. DE HOND, 1926)
— Eens vroeg ik een meisje van 7 jaar, waar haar grootmoeder woonde. ‘Opoe woont op het plein.’ Hèt plein is voor deze kinderen nog het Waterlooplein, hun ouders en allen in hun omgeving spreken van hèt plein, zonder dat ooit iemand denkt, dat ze het Leidseplein bedoelen. (Betty Brandon, Het Amsterdamsche Ghettomeisje, in Ha’ischa, 1934) (JAAP MEIJER, 1968)
— Sem haatte het stuntelig-ingebogene, het nederig-zachtzinnige van vader Hereira en zijn angst voor gojiem. Wanneer hij alleen maar hóórde van een knokpartij tussen Joden en niet geheel brandschone Christenen, ’s Maandags, op Plein, Nieuwmarkt of Sluis, kreeg hij al voor vier de beverd! (IS. QUERIDO, 1931)
— Nog voordat de buurt in elkaar zakte, zijn die zaaltjes successievelijk verdwenen. Tas op de Oudeschans, Colconda op de Nieuwe Zijds, Maison Waterloo op het Plein, Diligentia bij de Amstel, Handwerkers Vriendenkring op de Achtergracht, Het Wapen van Amsterdam, achter de Beurs, waar Max Tak, tussen twee redevoeringen in, debuteerde als violist. (MEYER SLUYSER, 1959)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plein (Oudfrans plain)
Plein (Rode --) (vert. van Russisch Krasnaja ploščad’)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Plein, van ’t Fr. plaine = vlakte, van ’t Lat. planus = plat, vlak. Zie Plan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plein ‘open ruimte’ -> Fries plein ‘open ruimte’; Engels dialect plain ‘open ruimte in een stad’; Duits dialect Plä ‘verdeeld stuk weiland’; Duits dialect † Plein ‘open ruimte’; Menadonees plèin ‘voetbalveld’; Papiaments plenchi (ouder: pleintji, plein, pleintsje) ‘open ruimte’; Sranantongo pren ‘open ruimte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plein open ruimte 1285 [CG Rijmb.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal