Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plat - (dun, vlak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

plat 1 bn. ‘vlak; eenvoudig; niet bruisend’
Mnl. eerst in samenstellingen, in de toenaam Platevoet ‘Platvoet’ [1232; Debrabandere 2003] en in al platuisch alse but ‘alle platvissen zoals bot’ [1287; CG II], dan plat ‘onbebouwd, vlak’ in metten ... platten lande van Brabant ‘met het Brabantse platteland’ [1388; MNW]; vnnl. ‘eenvoudig’ in plat en boers zijn van ghestalt ‘alledaags en boers van gestalte zijn’ [1615; WNT]; nnl. platte wijn ‘smakeloze wijn, zacht van smaak’ [1710; WNT], ‘onbeschaafd’ in platte uitdrukking [1864; Calisch], plat spreken “in dialect” [1898; Van Dale].
Ontleend aan Frans plat ‘vlak’ [1080; Rey], ‘eenvoudig, zacht van smaak’ [1316; Rey], ontwikkeld uit vulgair Latijn *plattus ‘vlak, glad’, dat wrsch. ontleend is aan Grieks platús ‘wijd, vlak’. In de Romaanse talen in West-Europa is het woord algemeen verspreid in de betekenis ‘plat, stomp’, o.a. als Italiaans piatto, Spaans en Portugees chato. Het Romaanse woord is verder alleen ontleend in het Nederduitse en Nederrijnse taalgebied. De oudste Germaanse vindplaats is Middelhoogduits (Rijnland) blat [eind 13e eeuw; Frings 1968, 399].
Grieks platús ‘wijd, vlak’ is verwant met: Sanskrit prthú- ‘wijd, breed’; Avestisch pərəthu- ‘id.’; < pie. *pleth2- ‘wijd’ (IEW 833).
De combinatie platteland komt ook in het Frans voor, plat pays [1375; Rey]. De betekenis ‘niet bruisend’ in plat water is een vrij recente leenvertaling van Frans de l'eau plate. In eerste instantie was plat water vooral BN, maar tegenwoordig ook steeds meer NN.
platje zn. (NN) ‘schaamluis’. Nnl. platje “wandluis” [1914; Van Dale], platje “geslachtsziekte” [1992; Van Dale]. Afleiding van plat, vanwege de platte vorm van de betreffende parasiet, de Phthirus pubis. Zie ook → plat 2 voor platje in de betekenis ‘terras’.

plat 2 zn. ‘vlakke zijde, terras; dialect’
Mnl. bi den platte vanden zwaerde ‘met de vlakke zijde van het zwaard’ [1486; MNW]; vnnl. 't Plat der pooten ‘de onderzijde der klauwen (van een valk)’ [1605; WNT], T'plat des dams ‘het platte (boven)vlak van de dam’ [1605-08; WNT], Ik ga haer van mijn plat heel Roomen thoonen ‘ik ga haar vanaf mijn terras heel Rome laten zien’ [1643; WNT]; nnl. het plat en ejgen van ieder gewest ‘de streektaal en het typerende van ieder gewest’ [1705; WNT]; nnl. uitzicht ... op een platje ‘klein terras’ [1854; WNT].
Zelfstandig gebruik van het bn.plat 1 ‘vlak’, of rechtstreeks ontleend aan het op dezelfde wijze ontstane Oudfranse zn. plat ‘vlakke zijde, object met vlakke zijde’ [ca. 1119; Rey]. Zie ook → plaat, → plaats.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plat1 [dun, vlak] {1287} < frans plat [idem], via middeleeuws latijn (plattum [vlakke plaats], platum [het plat van een zwaard]) < grieks platus [vlak].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plat 1 bnw., mnl. plat, evenals mnd. plat (> nhd. platt), ne. plat ‘plat, vlakʼ, gewoonlijk beschouwd als ontlening < fra. plat < vulg. lat. plattus < gr. platús.

H. Kuhn ZfdMaf. 28, 1961, 10 maakt daartegen bezwaar, o.a. wegens een bijvorm met enkele -t- in mnl. plate ‘plat hard voorwerpʼ, nde.plæde ‘platvisʼ en wil eerder oerverwantschap met gr. platús aannemen; dan zou het germ. woord met onverschoven p ontleend zijn aan een onbekende idg. substraattaal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plat bnw., mnl. plat (tt). Evenals mnd. plat (nhd. platt uit’t Ndd.; mhd. slechts md. blatefuoʒ, blatehuof m. “platvoet”), eng. (vooral ouder-eng.) plat “plat, vlak” uit fr. plat “id.”. Dit ook in andere rom. talen voorkomende woord zal wel op gr. platús “vlak” teruggaan en niet van germ. oorsprong zijn (men heeft aan ontl. uit de bij pletten besproken woordfamilie gedacht). Op een reeds vóór-rom. vulgair-lat. *plattus wijzen: 1. de verbreiding in de rom. talen, 2. het vroege optreden, 3. de afl. plat-essa “platvisch” bij Ausonius. — Het o. van ’t bnw. plat, komt. reeds mnl. voor = “platte kant”. Nnl. plat o. “plat dak” is uit plat dak o. verkort onder invloed van ’t reeds vroeger bestaande plat o. “platte zijde” (van een zwaard e.dgl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plat bijv., Mnl. id., gelijk Hgd. platt, uit Fr. plat, van Mlat. plattum (-us), van Gr. platús = plat, vlak + Skr. pṛthuṣ, Lit. platus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

plat, pred. bn.: kwijt, verloren hebbend (geld, knikkers). Ook Rijnl. platt. Verschoven betekenis van plat ‘vlak, effen’, vgl. platzak zijn ‘geen geld meer hebben’ en dial. plat geruïneerd zijn.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

plat, bn.: zacht, week. Mnl. plat ‘vlak; week, zacht, murw’, Vnnl. plat ende morwe ‘zacht’, platte peyre ‘beurse peer’, platte kaese ‘zachte kaas’ (Kiliaan). Afgeleide bet. van ‘vlak’. Wat zacht is, kan makkelijk plat gedrukt worden. Vgl. ook Brabants platte kees ‘kwark’, platte broodjes bakken ‘zoete broodjes bakken’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

plat bn., gering van afmeting in vertikale richting, dus ook: dun (een plat boek), ondiep (plat water), laag, ondiep (een platte kist), kort (bij kroeshaar: plat haar). Desi-wiri de echte naam is liemswied*. Plant met gele bloemen die plat langs wegen groeit (Sedoc 29). - Etym.: S plata = plat; ondiep.
— : zie platte brug*.
— : platte buurt (de, -en), armelijke wijk, krottenwijk. Deze [villa]wijken beslaan even-wel slechts een deel van de stadsrand. Zo loopt van het centrum naar het zuiden van de stad een langgerekte zone van zgn. platte buurten, waar veel armeren woonachtig zijn (Enc.Sur. 468).
— : platte doodkist (de, -en), eenvoudige, goedkope, ondiepe doodkist. Haar lijk vonden ze verminkt terug en ze deden het in een gewone platte doodkist, ruwe, nauwelijks geschaafde planken (Ferrier 1968: 144). - Etym.: Zie plat*.
— : platte pan (de, -nen), koekepan. Nodig is voor zes personen: drie vingers* rijpe bana [banaan*]; zout, zwarte peper, red devil (gemalen) rode Westindische peper, knoflook poeder, een scheutje azijn, vier tot zes jiggers Westindische rum, spijsolie* en een goede platte pan (King Creole in WS 15-3-1986, in recept voor ’devilled banana’). - Etym.: zie pan* (I). - Syn. bakpan*.
— : zie platte soep*.
— : plat eten (at, heeft gegeten), ww. uitdr., klaplopen, parasiteren op. Vroeger wilde niemand met hem omgaan, maar nu hij rijk is heeft hij vrienden die hem plat eten. - Etym.: S njan plata (njan = eten; plata = plat). Cairo (1977: 85; 1978b: 183) gebruikt alleen plat vreten.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

plat (Frans plat); (vals --)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Plaats, van ’t Fr. place, en dit uit ’t Lat. platen, van ’t Gr. plateia = plat of effen gemaakte weg; plein; binnenplaats; later ook een plek; van platus = plat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plat ‘(gewestelijk) bijwoord van graad: geheel (en al), volkomen’ -> Zweeds platt ‘bijwoord van graad: volledig’ (uit Nederlands of Nederduits).

plat ‘dun, vlak; niet beschaafd; geslepen’ -> Duits platt ‘vlak; niet beschaafd’; Deens plat ‘banaal, ordinair; listig, sluw’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors platt ‘vlak; platvloers’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds platt ‘dun, vlak’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis plat, pelat ‘dun, vlak’; Javaans plat ‘dun, vlak (dak)’; Kupang-Maleis plat ‘dun, vlak’; Menadonees plat ‘ingedrukt’; Creools-Portugees (Ceylon) plat, plâte ‘dun, vlak’; Berbice-Nederlands plati ‘dun, vlak’; Papiaments plat ‘vlak, ondiep; niet beschaafd’; Sranantongo plata (ouder: pratta) ‘dun, vlak, ondiep’; Saramakkaans paáta ‘dun, vlak’ <via Sranantongo>; Surinaams-Javaans platah ‘dun, vlak’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plat dun, vlak 1287 [CG NatBl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal