Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

planeet - (hemellichaam)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Pluto en andere planeten

Al duizenden jaren lang is bekend dat er naast sterren ook andere hemellichamen zijn, die een afwijkende baan beschrijven. De oude Grieken kenden vijf van zulke bijzondere objecten; ze noemden ze ‘planetes’. Het woord planeet is een afleiding van het Griekse werkwoord planan (‘dwalen, zwerven’). De ‘dwaalsterren’ kregen de namen van Griekse goden: Hermes, Aphrodite, Ares, Zeus en Kronos, door de Romeinen vertaald in de nog steeds gangbare benamingen Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus.
Vóór de Grieken hadden de Babyloniërs ook de zon en de maan als planeten beschouwd. Op de in totaal zeven hemellichamen baseerden de Babyloniërs – en in navolging van hen de Grieken en Romeinen – de zevendaagse week. Iedere dag van de week is genoemd naar een planeet of de bijbehorende god: zaterdag naar Saturnus, zondag en maandag naar de zon en de maan, en dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag naar Germaanse equivalenten van de Romeinse goden: Thingsus (Mars), Wodan (Mercurius), Donar (Jupiter) en Frija (Venus).

Uranus
Het zou tot ver na de Oudheid duren voordat er een nieuwe planeet werd ontdekt. Op 13 maart 1781 nam de Hannoverse astronoom Friedrich Wilhelm Herschel door een zelfgebouwde telescoop een ‘komeet’ met een bijzondere baan waar, die door de Franse wiskundige Bochart de Saron werd geïdentificeerd als een heuse planeet. De ontdekker mocht een nieuwe naam bedenken. Ter ere van koning George III van Engeland, die tevens over Hannover regeerde, stelde Herschel de naam Georgium Sidus voor (‘de ster van George’).
Sterrenkundigen uit andere landen waren niet zo weg van deze vondst, temeer omdat het hemellichaam in kwestie geen ster was. De Fransman Lalande opperde de nieuwe planeet naar de ontdekker Herschel te noemen. Anderen borduurden voort op de mythologie: de Zwitser Bernoulli bracht Hypercronius naar voren (‘boven Saturnus’), de Zweed Prosperin pleitte voor Neptunus, en de Duitser Bode voor Uranus, de Griekse god van de hemel. Bodes voorstel kreeg de meeste bijval, maar de internationale erkenning liet op zich wachten: pas in 1850 verkoos de gezaghebbende Engelse Nautical Almanac deze naam boven Georgium Sidus.

Neptunus
In de negentiende eeuw werd op basis van onregelmatigheden in de omloopbaan van Uranus vermoed dat zich verder verwijderd van de zon nog een andere planeet bevond. Deze werd in 1846 nagenoeg gelijktijdig ontdekt door John Couch Adams en Urbain Le Verrier. Tussen de twee astronomen ontstond een hevige rivaliteit, die tot een controverse bij de naamgeving leidde. Le Verrier had graag gezien dat de planeet naar hemzelf werd genoemd; daarnaast waren er verschillende voorstellen in de mythologische sfeer, onder meer Oceanus en Janus. Eind 1846 koos de astronomische gemeenschap definitief voor een eerder voorstel van Le Verrier: een benoeming naar de Romeinse god van de zee, Neptunus.

Pluto
In 1894 richtte de rijke Amerikaanse zakenman en astronoom Percival Lowell in Flagstaff (Arizona) het Lowell Observatory op. Lowell was vastbesloten een nóg verder verwijderde planeet te vinden, die hij “Planet X” noemde. Na Lowells dood in 1916 stopte de zoektocht, maar in 1929 nam het Lowell Observatory de jonge onderzoeker Clyde Tombaugh in dienst, die op 18 februari 1930 het bestaan van de planeet kon bewijzen aan de hand van een vergelijking van foto’s. Het observatorium kreeg van het publiek meer dan duizend suggesties voor de naam van de nieuwe planeet. De weduwe van Lowell stelde achtereenvolgens voor: Zeus, Lowell en haar eigen naam Constance. Uit de ingezonden brieven kwamen echter twee namen naar voren die op de klassieke mythologie waren gebaseerd: Minerva en Pluto. De naam Minerva was al aan een asteroïde gegeven, dus besloot de staf van de sterrenwacht de naam van de god van de onderwereld voor te leggen aan de American Astronomical Society en de Royal Astronomical Society of England, die het voorstel aannamen. Als symbool werden de letters P en L gekozen, de initialen van Percival Lowell, die de ontdekking in 1905 had voorspeld.

Exotisch
Zo is de afgelopen drie eeuwen elke nieuw ontdekte planeet in ons zonnestelsel genoemd naar een klassieke godheid. Zal dat in de toekomst zo verder gaan? Nee, want de kans dat er ooit nog een nieuwe planeet van de zon wordt ontdekt, is nihil. Zelfs Pluto heeft niet meer de status van een planeet, maar van een zogeheten ‘dwergplaneetʼ. Onder de nieuwe categorie dwergplaneten, in 2006 ingevoerd door de Internationale Astronomische Unie, vallen talrijke kleine hemellichamen. Die kunnen echter ook exotische namen hebben, bijvoorbeeld Haumea (genoemd naar de Hawaïaanse godin van de vruchtbaarheid) of, naar de schepper van de mensheid volgens de religie van de Paaseilanden: Makemake.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2016), ‘Pluto en andere planeten’, in: Onze Taal 12, 14.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

planeet zn. ‘hemellichaam’
Mnl. planete ‘dwaalster, planeet’ [1240; Bern.], Dat ... van den VII planeten elc mensche heeft sine nature ‘dat ieder mens zijn karaktereigenschappen van de zeven planeten heeft’ [1351; MNW].
Ontleend aan Latijn planēta (mv. planētae) ‘planeet’, nevenvorm naast ouder planētes (mv.) ‘planeten’, ontleend aan Grieks plánḗtēs ‘id.’, verkorting van plánḗtēs astéres, letterlijk ‘dwaalsterren’ (zoals ook klassiek Latijn stellae errantes ‘dwaalsterren’ betekent). Grieks planḗtēs is het meervoud van plánès (genitief plánētos) ‘zwerver, zwevende ster’, een afleiding van planãn ‘(doen) dwalen’, van onbekende herkomst.
De planeten werden dwaalsterren genoemd omdat ze in ogenschijnlijk onregelmatige banen langs de “vaste” sterren bewegen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

planeet [hemellichaam] {planete 1201-1250} < latijn planeta < grieks planètès, van planaō, planaomai [ik dwaal rond]; de schijnbare bewegingen van planeten, zo sterk afwijkend van ‘de andere sterren’, leidden in de Oudheid tot het begrip ‘dwaalster’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

planeet znw. v., mnl. planête < lat. planēta > gr. planḗtēs eig. ‘dwalerʼ, mogelijk over fra. planète.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

planeet znw., mnl. planête m. Internationaal woord, op lat. planêta < gr. planḗtēs, letterlijk “dwaler” teruggaand.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

planeet v., uit Fr. planète, van Lat. planetam (-a), van Gr. planḗtēs = ronddwalend + Lat. palari = dolen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

planeet s.nw.
Een van nege hemelliggame.
Uit Ndl. planeet (Mnl. planete).
Ndl. planeet uit Latyn planeta.
D. Planet, Eng. planet.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

planeet: bep. hemelliggaam; Ndl. planeet (Mnl. planete), Hd. planet, Eng. planet, via Ofr. planete uit Ll. planeta (mv. planetae = stellae errantes) soos Gr. planêtês (mv. planêtai = asteres planêtai, “dwaalsterre, lett. “dwalende sterre”).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

planeet (Latijn planeta)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Planeet (= Lat. planéta of planétes; = Gr. πλανήτης (planètès) = dwalend, ronddolend; als subst. dwaalster; < πλανᾶσθαι (planasthai) = ronddolen). Dwaalster. Gr. πλανηταὶ ἀστέρες (planètai asteres) of Lat. planétae of errantes stellae (= dwalende sterren) werden die hemellichamen genoemd die tussen de andere sterren schenen rond te dolen. In de oudheid rekende men tot de planeten ook de zon en de maan, maar niet de aarde. In tegenstelling tot de planeten noemde men de „vaste” sterren Gr. ἀπλανεῖς ἀστέρες (aplaneis asteres) of Lat. inerrantes stellae (= niet dwalende sterren) of Lat. fixae stellae (= vaste sterren). Zie inleiding op planeten blz. 107.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Planeet (Gr. πλανήτης (planêtês) = dwalend, ronddwalend; subst. dwaalster; πλανᾶσθαι (planâsthai) = ronddwalen). Planeetelectronen zijn die electronen welke, in de mechanistische opvatting, rondom de atoomkern cirkelen, zo genoemd naar de echte planeten welke om de zon cirkelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

planeet ‘hemellichaam’ -> Indonesisch planét, planit ‘hemellichaam’; Madoerees planet ‘hemellichaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

planeet hemellichaam 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1836. Iemand zijne planeet lezen,

d.w.z. iemand zijn toekomstig lot voorspellen; eig. iemand zijn geluk of ongeluk uit zijne geboortester voorzeggenLezen hier op te vatten als het opslaan van bepaalde boeken om daaruit een geheim te ontdekken., zijn horoscoop trekken (fr. tirer l'horoscopeVgl. Littré II, 2049; IV, 2233. De horoscoop is het punt der ecliptica, dat op het tijdstip van iemands geboorte boven den horizont verrijst. Uit dien stand iemands lot te bepalen, te trekken, noemt men horoscoop trekken. Hoe dit horoscoop trekken geschiedt, deelt Nic. Beets mede in Na vijftig jaar, 1887, bl. 165.. Onder een planeet verstaat men eene dwaalster, maar de astrologen verstonden er ook geboortester onder, wier stand invloed kon oefenen op iemands lot. De Grieksche geschiedschrijver Diodorus van Sicilië vermeldt (II, 31), dat reeds bij de Chaldeeërs het geloof bestond aan den grooten invloed, dien de sterren, en vooral de planeten op 's menschen lot konden oefenen. Bij ons vinden we in de middeleeuwsche geschriften meermalen van dien invloed melding gemaakt o.a. in de Natuurkunde v.h. Heelal, vs. 18 vlgg.:

 Want dat seghet ons die scrifture,
 Dat elcke creature, die levet,
 Sine nature van boven hevet
 Al van den seven planeten.

Zie verder vs. 1297 vlgg. en vs. 1245-1286; Maerlant, Heim. der Heim. vs. 777 vlgg.; 1591-1686; Limb. XI, 759 en Verdam in de Handelingen der Maatschappij v. Nederl. Ltk. 1897/1898, bl. 52-54; Halma, 507: Iemand zijne planeet leezen, zijn geluk of ongeluk uit zijne geboortestar voorzeggen; Harreb. II, 187. Vandaar kon de zegswijze ontstaan onder een gelukkige (of ongelukkige), de rechte, planeet geboren zijn; vgl. no. 670.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal