Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plan - (ontwerp; voornemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

plan zn. ‘ontwerp; voornemen’
Vnnl. plaan ‘plattegrond’ [1674; WNT]; nnl. plan ‘uitgewerkt ontwerp van een bouwwerk’ in Bestekken, Plans, Uytreekeningen ‘bestekken, ontwerpen, berekeningen’ [1714; WNT], plan ‘voornemen’ [1784-85; WNT], ‘de wijze waarop men denkt te handelen om een bepaald doel te bereiken’ [1784-85; WNT], ‘ontwerp voor ruimtelijke ordening’ [1930-31; WNT].
Ontleend aan Frans plan, in de 16e eeuw ontstaan als nevenvorm (onder invloed van plan ‘vlakte’ uit Latijn plānus, zie → plein) van Middelfrans plant ‘grondoppervlak van een bouwwerk’ [1520-46; TLF], bij uitbreiding ‘bouwtekening als projectie op een horizontaal vlak’ [1538; TLF] en (al in de vorm plan) ‘ontwerp van een project’ [1627; TLF]. De Middelfranse vorm is wrsch. afgeleid van Frans planter ‘planten’, ontleend aan Latijn plantāre ‘(be)planten, poten, stekken’, oorspr. ‘met de voet(zool) de grond aanstampen’, afgeleid van Latijn planta ‘voetzool’, waarvan de verdere herkomst onduidelijk is. Volgens anderen is plant echter ontleend aan Italiaans pianta ‘gewas; voetzool’ [voor 1321; DELI], ‘geografische kaart; projectie op een horizontaal vlak’, ontleend aan Latijn planta.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plan [ontwerp, voornemen] {1674} < frans plan [plattegrond, opzet] < latijn planum [vlakte, grond], van planus [vlak] (vgl. plein).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plan znw. o. eerst sedert Kiliaen, evenals nhd. plan m. ‘plattegrond, ontwerpʼ (> nde. nzw. plan), ne. plan < fra. plan eig. ‘effen vlakteʼ van lat. planus ‘vlakʼ.

De bet. ‘vlakte, vrije ruimteʼ vinden wij nog in mnl. plaen m. o., mhd. plan m. plane v., mnd. plan; zie verder nog: plein.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

plan znw. o., nog niet bij Kil. Evenals nhd. plan m. “plattegrond, ontwerp” (> de., zw. plan “id.”), eng. plan “id.” uit fr. plan “id.”, oorspr. “vlakke oppervlakte” < lat. plânum. Fr. plan wordt ook anders verklaard. In de bet. “vlakte, vrije ruimte” mnl. plaen m. o., mhd. plân m., plâne v. (nhd. plan m.), mnd. plân m., uit ’t Ofr. of Lat. Vgl. plein. Voor de bet.-ontwikkeling van ndl. plan vgl. fr. projet “ontwerp”, dan in ruimer bet. “plan”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plan o., uit Fr. id., zelfst. gebr. adj. plan, van Lat. planum (-us) = vlak (z.d.w.). De bet. is effen vlakte, platte grond, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

plan (het, -nen), (ook:) fabrieksterrein; terrein met gebouwen bij een werkobject, bijv. een grote garage, een airstrip*, een bosontsluiting. Isuzubussen en Roadmasters uit de stad brengen weer leven op het plan: Passagiers voor Ricanau en Albina. Onderwijzers voor de scholen van de onderneming (Vianen 1971: 130). Ook in samenst., bijv.: In leven was hij werkzaam bij het bacovenplan [zie bakove*] Jaribaka (WS 5-5-1984, in adv.). - Etym.: E plant = (o.m.) fabriek. Er kan ook verband zijn met het feit, dat grotere ondernemingen in Suriname in de plan- en voorbereidingsfase als ’plan’ worden aangeduid en dan bij en na uitvoering die naam korter of langer houden. Bijv. Brokopondoplan*, Lelydorpplan. - Syn. plant*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Plan, van ’t Fr. plan, en dit van ’t Lat. planus = vlak. De bet. is: effen vlakte, ook platte-grond; vandaar: ontwerp, voornemen. Ook plank behoort hierbij, van ’t Lat. planca = plat hout.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

plan (I). - Het Nederlandsche woord plan beteekent: 1o schets, ontwerp; 2o plattegrond; 3o ontwerp in figuurlijken zin, voornemen. Op de volgende plaatsen komt het echter voor in eene beteekenis die alleen aan fr. plan eigen is en door HATZFELD-DARMESTETTER (1751a) aldus wordt omschreven: “éloignement plus ou moins grand, où sont placés en perspective les personnes, les choses représentées.” Dit begrip kan in onze taal niet altijd door een en hetzelfde woord uitgedrukt worden; soms komt fr. plan hier overeen met ons afstand, soms met ons vlakte, en in andere gevallen wordt het door een ander begrip vervangen. Zie verder de toelichtingen bij de aanhalingen en verg. Voorplan. || De wolken … verdeelen … de oneindige vlakte in groote plannen, beurtelings somber en verlicht. GEIREGAT, Holl. Schilderk. 5 (bij HAVARD 12: Les nuages … divisent … la plaine infinie en grands plans, wat in het Nederlandsch luidt: de wolken verdeelen de onbegrensde vlakte in groote vakken of gedeelten). In ons gematigd licht en vochtigen dampkring (komen) … de voorgronden in volle helderheid en volle kleurenfrischheid uit; de volgende plannen zijn zachter getint, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 12 (hier kon het goed gezegd worden: de verder afgelegen vlakte is of hoogerop is de vlakte zachter getint). En wanneer eindelijk de zon daalt en over de velden haar licht, verzwakt aan kracht, maar verrijkt aan kleur, laat glijden, dan moet men zien welke tooverachtige spelingen zij in onze natuur doet ontstaan. De glinstering heeft geheel opgehouden: op het voorplan is alles mat, maar ginder ver slaat eene warmroode straal tusschen die rij boomen, en laat het oog toe den afstand te meten en met eenen de tegenoverstelling en samensmelting van licht en schaduw te genieten; en weer een plan verder herhaalt zich dezelfde speling, maar zwakker, wasiger, met uitgeveegde vormen en uitgedoofden gloed, 1, 13. (hier past heel goed: en nog verder enz.). De natuur is ook behandeld, als stonde alles op zich zelf: elk plantje, elk boompje, elk bloempje is fijn afgewerkt, maar het verband tusschen dit alles, en het verband tusschen aarde en hemel, het perspectief, in een woord, is nog niet gevat. De zucht om de plannen aan te duiden … merkt men wel, maar enz., 1, 23 (hier wordt vereischt: de afstanden). Een ander gebrek aan kunstvaardigheid … is de mangel aan … juiste evenredigheid tusschen de verschillende plannen van het doek, 1, 73 (hier wordt vereischt: de verschillende vlakten van het landschap). De achtergrond is gelijkvormig zacht grijs, de voorgrond hard bruin, zoodat de plannen nijdig tegen elkander afsteken, 1, 189 (hier kan heel goed dienst doen: zoodat beide scherp tegen elkander afsteken).
– Het is dan ook begrijpelijk dat men in ’t Fransch zegt le premier plan, le second plan, le troisième plan; welke uitdrukkingen niet letterlijk mogen vertaald worden, zooals vooral door onze tooneelschrijvers veelvuldig gedaan wordt. Aan premier plan beantwoordt voorgrond, aan dernier plan: achtergrond. || Dit schoon warm licht … waarin zijne eerste plannen zich baden, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 151. Vele personages komen er in voor: op het eerste plan een man met een geladen kar, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 115. Artevelde, niet zoo zeer omdat hij op het tweede in stede van op het eerste plan staat, veeleer om ik weet niet wat er aan dit anders ook weer op zich zelf mooie figuur ontbreekt, is niet genoeg de spil, het middelpunt … van het … werk, DE MONT in Elsevier’s Maandschr. 10, 132 (zie voor meer voorbeelden alle Zuidnederlandsche tooneelstukken).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plan ‘ontwerp; voornemen’ -> Indonesisch plan ‘voornemen’; Singalees päläna, pläna ‘ontwerp; voornemen’ (uit Nederlands of Portugees); Negerhollands plan ‘ontwerp; voornemen’; Papiaments plan ‘ontwerp; voornemen’ (uit Nederlands of Spaans); Sranantongo plan ‘ontwerp; voornemen’; Surinaams-Javaans plan ‘ontwerp; voornemen; wooncentrum, fabrieksterrein’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plan ontwerp, voornemen 1674 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

plan: zijn (eigen) — trekken, voor zichzelf een gedragslijn bepalen. In Vlaanderen heeft deze uitdrukking al sinds lang een heel andere betekenis, nl. ‘zichzelf kunnen redden’.

Soms is die reflectie nog lelijk ook, met name als een vrouw — om volstrekt onbegrijpelijke redenen — haar eigen plan trekt en niet onmiddellijk aan de wens van haar verleider voldoet: dan verandert Casanova in een dorre, meedogenloze frik die standjes uitdeelt. (HP/De Tijd, 01/03/96)
Ik heb in Amerika mijn eigen plan getrokken en mij aan de normen en waarden die daar op de universiteit golden niet alles gelegen laten liggen. (Vrij Nederland, 03/05/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal