Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

plakken - (kleven, doen kleven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

plakken ww. ‘kleven, doen kleven’
Mnl. placken, plecken ‘pleisteren’ in de afleiding placker(e) ‘stukadoor’ [1291; VMNW], liemplacken ‘(het) met leem pleisteren’ [1343-44; MNW leemplacken], plecken mit ... moortere ‘pleisteren met mortel’ [ca. 1425; MNW], ‘doen kleven’ in plecse op een ‘laat het aaneenkleven’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. placken ‘aanplakken, op muren aanbrengen’ in Plact brieven aen kercken [1526-67; iWNT], placken aen den wand ‘aanplakken’, placken ‘pleisteren; bezoedelen; vastkleven’ [beide 1599; Kil.].
Herkomst onbekend.
Mnd. placken ‘met kalk of leem besmeren’.
Het woord is al vroeg ontleend in het Frans, dat als oudste betekenis van plaquer ‘opbrengen van siermetaal op het haar’ [ca. 1250; TLF] heeft, en daarna ‘(muren) pleisteren’ [eind 13e eeuw; TLF] (Nieuwfrans ‘vergulden, fineren’, Belgisch-Frans ‘plakken’). De oorspr. Nederlandse betekenis lijkt dus algemeen ‘aanbrengen’, waaruit in het bijzonder ‘pleister aanbrengen, met pleister besmeren’, later ‘plakkaten aanbrengen op een muur’ en meer in het algemeen ‘vastkleven’. Indien er etymologisch verband is met → plek ‘vlek, klodder’, zou men echter eerder ‘pleister aanbrengen’ als oorspr. betekenis aannemen.
plak 2 zn. ‘aanslag op tanden’. Nnl. plaque ‘plek’ [1956; Coëlho], ‘aanslag op de tanden’ [1974; Koenen], ook plak. Internationaal woord, oorspr. Frans plaque (dentaire) ‘tandplak’, betekenisuitbreiding van ‘plek, vlek’, waarin plaque een afleiding is van plaquer.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

plakken* [(vast)kleven] {placken, plecken [lappen, kladden, besmeren, klappen geven] 1360} vermoedelijk klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

plakken ww. mnl. placken ‘lappen, slaan; kladden, plakkenʼ, mnd. placken ‘kladden, smerenʼ is een afl. van plak. Het samengaan van de bet. ‘slaanʼ en ‘smerenʼ doet vermoeden, dat wij hier een woord van de leemtechniek hebben, waarbij de leem tegen de gevlochten wand geslagen en dan daarna gladgesmeerd wordt. Mogelijk een klankwoord plak tot aanduiding van het kletsend geluid van de natte leem tegen de wand. — > fra. plaquer ‘plaatjes metaal opleggenʼ (sedert de 13de eeuw, Valkhoff 201).

De verklaring van plakken als intensief van plagen (Hellquist GHÅ 14, 1908, Nr. 2, 45) is weinig overtuigend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

plakken o.w., denomin. van plak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

plakke, plekke (ww.) 1. te lang blijven 2. op school blijven zitten 3.stucadoren; Middelnederlands m,placken <1291>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

plak ww.
1. Met kleefstof vassit of laat vassit. 2. 'n Muur met ornamentele papier bedek. 3. Jou vestig, dikw. op ongeoorloofde plekke, of waar die nodige geriewe ontbreek.
Uit Ndl. plakken (al Mnl.). Bet. 3 het in die meer resente tyd aanleiding gegee tot 'n afleiding soos plakker 'persoon wat hom sonder toestemming êrens vestig'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1966 in bet. 1).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

plakken aanhouden, arresteren, gevangen nemen. In deze betekenis in 1901 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. In 1948 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, Boeven-Jargon van Henry Roskam. Een ‘politieagent’ werd onder zwarthandelaren wel een plakker genoemd, aldus Roskam.
— Ja, ’t is eeuwig stom van ’m geweest, dat ie toen-der-tijd die groenboer een gons [een steek] heit gegeve en dat ie, toen ie geplakt was, dadelijk omsloeg. ¶ Justus van Maurik, Toen ik nog jong was (1901), p. 176. De schrijver verklaart de betekenis (‘gevangen’) tussen haakjes.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

plakken ‘(vast)kleven’ -> Fries plakke ‘(vast)kleven’; Deens † plakke ‘(vast)kleven’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Frans plaquer ‘een laag op iets aanbrengen; iets plat drukken’; Italiaans placcare ‘platteren (met metaal overtrekken)’ <via Frans>; Esperanto plaki ‘een dunne folie opbrengen’ <via Frans>; Zuid-Afrikaans-Engels plak ‘vastkleven’ <via Afrikaans>; Menadonees plak ‘(vast)kleven’; Amerikaans-Engels dialect † plock ‘te lang blijven’; Papiaments plak ‘vastkleven’; Sranantongo plak ‘vastkleven’; Surinaams-Javaans plag, ngeplag ‘vastplakken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

plakken* (vast)kleven 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1835. Ergens blijven plakken,

d.w.z. ergens lang blijven praten; eig. als aan den stoel geplakt, zooals blijkt uit de Klucht v. Het bedurven huishouden (1703), bl. 29:

 Ik geloof dat ze iewers weer aangezeild is daar ze geplakt zit, want zy heeft
 Pik aan haar rokken, als zommige Mans aan haar broeken, als ze komt daar men de fep (drank) geeft.

Sedert de 17de eeuw is deze zegswijze in gebruik blijkens Gew. Weeuw. III, 41; ze komt ook voor in Alewijn, De Puiterveensche Helleveeg (ed. 1720), bl. 7:

 't Zyn mellekmuilen, die haar meesters kas verkrachten,
 En menig Jonasje van drie geheele nachtenEen Jonas, een driedaagsch, een dagenlang verblijf in de kroeg, bij den drank, ‘onder water’. Vgl. Jona, I, 17; Matth. XII, 40; Ndl. Wdb. VII, 336.,
 In d' oude snippen vlucht, of diergelyke kot
 Met vreugde plakken.

In de 17de eeuw noemde men zoo'n plakker een peklap (Hooft, Brieven, 214) of zeide men dat hij ‘een peklap aan zijn poort (gat) had’ (Coster, 508, vs. 355 vlgg.); zie Winschooten, 189: Hij heeft pik aan sijn broek, of gat, dat is, hij weet van geen opstaan, of scheiden, als hij bij het geselschap is, en een goede roemer op sijn hand heeft: soo ook piklappen en hetgeen daar van afkomstig is: hij is een regte piklap, hij is een piklapper, ens. Dien naam plakker vindt men eveneens in de 18de eeuw bij Van Effen, Spect. III, 88; Sewel, 640. Voor Zuid-Nederland zie Antw. Idiot. 974: plakken, blijven zitten, toeven; Schuermans, 486; Bijv. 236; De Bo, 840: pekbroek, ook pekker, plekbroek of (plak)plaaster (Antw. Idiot. 974; Schuermans, 486), naast plakbroek, hangbroek, hanggat, hangijzer, hangplaaster (Antw. Idiot. 534), iemand die niet weet van heengaan; Harreb. II, 187: hij is een plakbroek (of plakker). Zie no. 1826. In Joodsche taal wordt een plakker een shalet genoemd (N. Taalgids X, 286).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal