Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pistool - (wapen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pistool zn. ‘vuurwapen’
Vnnl. pistol ‘vuurwapen’ in een pistol ofte sinckroer geladen met twee looden ‘een pistool of zinkroer, geladen met twee loden kogels’ [1595; WNT zinkroer].
Ontleend, misschien via Duits Pistole ‘pistool’ [eind 16e eeuw; Pfeifer], aan Frans pistole ‘id.’ [1544; TLF]. Dit woord is via Duitsland overgenomen uit Oudtsjechisch písčala, píšťala ‘bepaald licht vuurwapen’, eigenlijk ‘fluit’ en zo genoemd naar het lichte geluid bij het afvuren van het wapen. Het Tsjechische woord is een afleiding van het werkwoord pískat ‘fluiten’ < Proto-Slavisch *piskati, dat is afgeleid van een klanknabootsende wortel *pi-.
De Tsjechen gebruikten een succesvol licht vuurwapen onder deze naam tijdens de hussietenoorlogen aan het begin van de 15e eeuw. Het plaatselijke Duits nam het woord in diverse varianten over, waaronder pisschullen, pyscheln en pischoln (alle mv.) [begin 15e eeuw; Pfeifer]. Het Frans ontleende aan het Duits de vorm pistole; dát woord, inmiddels horend bij een verder ontwikkeld klein vuurwapen, werd vervolgens door vele talen ontleend, onder andere door het Nederlands, maar ook door het Duits (Pistole [eind 16e eeuw; Pfeifer]) en het Tsjechisch zelf: in het modern Tsjechisch als pistole, pistolka ‘pistool’, naast píšťala dat alleen nog ‘fluit’ betekent.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pistool2 [wapen] {1623, vgl. pistolet [idem] 1573} < hoogduits Pistole < tsjechisch pištʼal [pistool, oorspr.: pijp, buis], van piskat [fluiten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pistool 1 znw. o., < nhd. pistole, dat in het begin der 15de eeuw tijdens de Hussieten-oorlogen het eerst in Silezische bronnen optreedt < tsjech. pistʼal ‘pijp, buisʼ, eig. ‘fluitʼ en afgeleid van piskatʼ ‘fluiten, piepen van vogelsʼ (R. van der Meulen Ts 62, 1943, 211-218). — Het fra. pistole is sedert de 16de eeuw eveneens uit het nhd. overgenomen; of dit zijnerzijds de uitbreiding van het nhd. woord bevorderd heeft, is moeilijk uit te maken.

Kiliaen noemt alleen pistolet (< fra. pistolet) dat in de 16de eeuw echter ‘korte Italiaanse dolkʼ betekent.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pistool znw. (de en het); Kil. kent alleen nog maar pistolet < fr. pistolet. Pistool < fr. pistole, it. pistola. Misschien genoemd naar de stad Pistoja in Toskane. Ook elders ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pistool. Hd. pistole komt het eerst voor tusschen 1420 en 1430, gedurende de Hussieten-oorlogen, in Silezische geschiedbronnen. Dit geeft steun aan de hypothese, dat het woord uiteindelijk berust op čech. píšťál(a) ‘pistool’, ospr. ‘pijp, buis’. Kurrelmeyer MLN. 36, 488; Kluge MLN. 38, 274. Toch wijst de latere chronologie van het woord in het Hd. (het komt geregeld voor sedert 1616; pistolet sedert 1575) erop, dat het eerst vaste voet heeft gekregen door latere hernieuwde ontlening uit het Fr.; in deze laatste taal zal het door (duitse of čechische?) huursoldaten zijn ingevoerd. — De muntnamen fr. pistole, pistolet (> ndl. pistool en het in het Ndl. schijnbaar oudere, reeds in de 16e eeuw voorkomende pistolet) zijn wel als schertsende toepassingen van de bovengenoemde woorden verklaard; onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pistool 1 v. (wapen), uit Fr. pistole, verkort uit pistolet, van It. pistole, naar de stad Pistoia.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

pistool s.nw.
1. Kleinerige vuurwapen wat ontwerp is om met een hand afgevuur te word. 2. Penis.
Uit Ndl. pistool (1623 in bet. 1).
Ndl. pistool uit D. Pistole (15de eeu) uit Tsjeggies pišt'ala (1421) 'pyp, fluit, roer'.
Eng. pistol, Fr. pistole, It. pistola.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pistool: handvuurwapen; Ndl. (17e eeu) pistool uit Hd. (15e eeu) pistole wu. Fr. (16e eeu) pistole, wu. Eng. (16e eeu) pistol – by vRieb pistool en pistolen (mv.); herk. (d.w.s. waar eerste en deur wie vervaardig) nog omstrede.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pistool (Duits Pistole)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pistool ‘vuistvuurwapen’ -> Indonesisch pestol ‘(Bahasa Prokem) mannelijk lid’; Ambons-Maleis pistòl ‘vuistvuurwapen’; Atjehnees meuseutōy ‘vuistvuurwapen’; Iban pistul ‘vuistvuurwapen’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis pèstol, pistol ‘vuistvuurwapen; mannelijk geslachtsdeel’; Javaans bestul, bestol, pestul ‘vuistvuurwapen’; Keiëes bastuul ‘vuistvuurwapen’; Kupang-Maleis pistòl ‘vuistvuurwapen’; Madoerees pestol ‘vuistvuurwapen’; Makassaars pasitôló ‘vuistvuurwapen’; Menadonees pistòl ‘vuistvuurwapen’; Rotinees pistolik ‘vuistvuurwapen’; Sasaks pestol ‘vuistvuurwapen’; Soendanees pestol ‘vuistvuurwapen’; Ternataans-Maleis pistòl ‘vuistvuurwapen’; Creools-Portugees (Ceylon) pistol ‘vuistvuurwapen’; Singalees pistōla-ya ‘vuistvuurwapen’ (uit Nederlands of Portugees); Japans pisutoru ‘vuistvuurwapen’; Koreaans p'isŭt'ol ‘vuistvuurwapen’ <via Japans>; Negerhollands pistool ‘vuistvuurwapen’; Papiaments pistool ‘vuistvuurwapen’; Surinaams-Javaans pistul ‘vuistvuurwapen’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

rokend pistool/geweer, rokende revolver. Letterlijke vertaling van Engels smoking gun = concrete aanwijzing voor verdenking; "Waar is het bewijs?" werd hun gevraagd. "Je weet wat ze hier met bewijs bedoelen," zegt dezelfde bron, "een rokend pistool."(1997); Maar volstaat een beroep op de intieme overtuiging van de rechter? Waar blijft het befaamde rokend geweer, het ontegensprekelijke bewijs van de smoking gun? . (1998); Sommige mensen hebben een rokend pistool nodig voor ze iets geloven of aannemen. Een goed toehoorder heeft echter aan een half woord genoeg; Het laat geen vingerafdrukken na of een rokend pistool. Neen. Discriminatie zit meestal verstopt in dagdagelijks gedrag, in een woord, een attitude; Wapeninspecteurs hebben Irak al eerder langdurig onderzocht zonder een rokende revolver te vinden; Maar zolang ze geen rokend geweer produceren, of beter nog een lijk, hebben ze niet genoeg bewijs tegen de man; Chamberlain was geloof ik aan het aarzelen geweest om Duitsland te stoppen, omdat er geen 'rokend geweer' was (geen bewijs dat Duitsland ook echt Europa te grazen zou nemen).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pistool vuistvuurwapen 1623 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal