Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pissen - (plassen; urineren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pissen ww. ‘plassen; urineren’
Mnl. pissen ‘urineren’ in seiken, pissen ‘plassen’ [1240; Bern.], hi licht sijn been ende pisteran ‘hij (een hond) tilt zijn poot op en plast ertegenaan’ [1287; VMNW]; nnl. ook piesen [1894; WNT].
Een klanknabootsend woord, waarin de sisklank het stromen weergeeft. Gezien het ontbreken van het woord in de oudere fasen van de Germaanse talen is het mogelijk ontleend aan Oudfrans pissier ‘urineren’ < vulgair Latijn *pissiāre, eveneens klanknabootsend. De jongere vorm piesen gaat wrsch. terug op de moderne Franse uitspraak van pisser met gesloten [i], of de uitspraak is te danken aan het feit dat het gaat om een emotioneel woord vergelijk kietelen/kittelen. In het Nederlands is pissen tegenwoordig vulgair, piesen een kinderwoord.
pis zn. ‘urine’. Mnl. pis ‘urine’ [ca. 1330; Jacobs 1928], pisse ‘id.’ [1403; Debrabandere 1994], die loghe sal wesen van goeder blicxer assche off pisse ‘de loog moet van goede as van zilverschoon zijn, of urine’ [1406; MNW blic]; nnl. pies ‘urine’ [1898; Van Dale]. Afleiding van pissen; de jongere vorm pies is een afleiding van piesen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pissen* [urineren] {1201-1250} frans pisser, oudfrans pissier > engels to piss; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pissen ww., mnl. pissen, mnd. nhd. pissen, ofri. pissia, ne. piss is evenals nfra. pisser, prov. pisar, katal. pixar een klankwoord voor een sissend geluid. — Er is geen reden om, zoals vaak gedaan wordt, het germ. woord als aan het rom. ontleend te beschouwen. — Met nl. kolonisten overgebracht naar Noord-Duitsland, blijkens piszmüre in Holstein en piszmiere in de Mark in de bet. ‘mierʼ (zie aldaar), vgl. Teuchert Sprachreste 311-2.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pissen. Ontlening aan fr. pisser, dat een onomatop. vorming is, is het waarschijnlijkst. De bijvorm piesen berust deels (o.a. in het Zovla.) op voortgezet contact met het fr. voorbeeld, deels op daarvan onafhankelijke vervorming van het onomatopoëtisch gevoelde ndl. woord.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pisse (ww.) urineren; Vreugmiddelnederlands pissen <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pis: s.nw. en ww., urine(er); Ndl. s.nw. pis (Mnl. pis(se), dial. pisse), Hd. pisse, Eng. piss; Ndl. ww. pissen (Mnl. pissen), Hd. pissen, Eng. piss, vlgs. dVri J NEW ’n kn. wd. wat ook i. d. Rom. tale opgeneem is.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pissen (Oudfrans pissier)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

pissen. Een enkele maal is in ons materiaal de verwensing ach man, pis omhoog! opgetekend. Dat geldt ook voor ik pis op je graf! De betekenis is zo goed als gelijk aan die van rot op!: ‘ik heb schijt aan je’. Dezelfde betekenis hebben ook ga (wat) pissen en loop pissen! Bij die laatste wordt vaak het gebaar van het gaan plassen nagebootst. D.w.z. de vloeker brengt zijn hand naar de gulp, de duim gespreid en de palm van de hand zichtbaar, terwijl hij tevens de knieën van elkaar doet en het onderlijf naar voren brengt (Andrea 1979: 107). → kakken, schijten.

J. Meijer (1984), Tolk van 't olle volk: Joods supplement op het Nieuw Groninger woordenboek van K. ter Laan, Scheemda

pizn TL 756: Schertsend: “Ain pis, aal pis, / Nait pis, Jeude is.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pissen ‘urineren’ -> Duits dialect pissen ‘urineren’; Indonesisch pis ‘urineren’; Kupang-Maleis pis ‘urineren’; Menadonees pis ‘urineren’; Negerhollands pische ‘urineren’; Berbice-Nederlands pesi ‘urineren’; Papiaments pishi ‘urineren’; Sranantongo pisi ‘urineren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pissen urineren 1240 [Bern.] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1872. Buiten den pot pissen,

d.w.z. een dwaasheid begaan, een verkeerden stap doen, door eigen schuld bedrogen uitkomen; overspel plegen. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor; vgl. Coster, 37 vs. 826: As die hoort dat Teeuwis het buyten de pot epist (overspel gepleegd), die selt verseecker verklicken; Brederoo, Moortje, 1468: Noch leeren sy (de rederijkers) de luy te laten nijdt en twist, en t is een volck dat selfs staagh buyten de pot pist; B. Kermisk. 29: Heb je ooyt of ooyt niet buiten de Pot gepist? Tuinman; I, 345: Hij heeft buiten den pot gepist. Dit zegt men van ymand, die zich ergens in te buiten heeft gegaan; Sewel, 68: Buyten de pot pissen, een meisje bezwangeren. Iets buiten den pot doen (in Kippev. II, 157); Molema, 325: de pot verbie pissen; fri. bûten 'e pôt pisje. Syn. over de streng slaan (N. Taalgids XII, 145).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal