Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pipo - (scheldwoord)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

pipo: (vaak voorafgegaan door rare) snoeshaan, kerel.

Ze gaven me de heilige verzekering dat die verwachte telg, indien het een ‘pipo’ werd, naar mij vernoemd zou worden. (Ben Borgart, Fontana, 1988)
Aan wie is dit nu besteed? Aan die rare pipo’s die zich ook wel fans noemen, denk ik. (Oor, 08/02/1992)
Die pipo die de hoofdrol speelt heeft trouwens kanker, wist je dat? (Herman Brusselmans, De terugkeer van Bonanza, 1995)
Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

pipo, slang voor ‘snoeshaan, kerel’. Vooral in de verbinding een rare pipo.

Ze gaven me de heilige verzekering dat die verwachte telg, indien het een ‘pipo’ werd, naar mij vernoemd zou worden... (Ben Borgart: Fontana, 1988)
Mensen zijn rare pipo’s, weet je, die in de ogen van een vechthond maar al te vaak op de verkeerde manier de aandacht op zich vestigen. (De Volkskrant, 01/06/91)
Aan wie is dit nu besteed? Aan die rare pipo’s die zich ook wel fans noemen, denk ik. (Oor, 08/02/92)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal