Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pionier - (baanbreker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pionier zn. ‘baanbreker’
Vnnl. pionnier, pionier ‘graver, arbeider’ in pioniers ofte beroijt volck ‘arbeiders of armoedig volk’ [1566; iWNT], ‘soldaat bij vooruitgezonden voetvolk, dat wegen vrijmaakt, het terrein gevechtsklaar maakt, enz.’ in pionniers ..., voorzien elck met een spade, grave (schep), houweel of breecbijl [1577; WNT kort]; nnl. pionnier, pionier ‘kolonist in een nieuw land, baanbreker, voortrekker’ in de Pionniers der Beschaving in Neêrlands Indië [1866; iWNT], een pionier op maatschappelijk gebied [1875; WNT].
Ontleend aan Frans pionnier ‘soldaat bij vooruitgezonden voetvolk, schansgraver enz.’ [1380; TLF], eerder al pïonier ‘grondwerker, graver’ [1225-30; TLF], pëonier ‘infanterist, voetknecht’ [ca. 1140; TLF], gevormd uit peon, pion ‘infanterist, voetknecht’, zie → pion, met het achtervoegsel -ier, zie → -ier. De betekenissen ‘iemand die zich als een der eersten in een onbekend land vestigt’ en algemener ‘baanbreker’ zijn ontleend aan Engels pioneer ‘kolonist in nieuw land’ [1836; OED], eerder al ‘baanbreker’ [1605; OED], nog eerder al ‘soldaat bij de voorhoede’ [1523; OED], dat zelf ook ontleend is aan Frans pionnier.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pionier [voortrekker] {1574} < frans pionnier [baanbreker, geniesoldaat], van pion1 [oorspr. voetsoldaat].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pionier znw. m. ‘soldaat der genietroepenʼ < fra. pionnier, afl. van het ww. pionner (sedert de 18e eeuw) ‘het wederkerig verslaan der pionnen in het schaakspelʼ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pionier s.nw.
1. Iemand wat die weg berei vir die ontwikkeling van 'n onontginde land. 2. Iemand wat nuwe bane op bv. geestelike of maatskaplike gebied betree, baanbreker.
Uit Eng. pioneer (1523 in bet. 1, 1605 in bet. 2). Die oorspr. bet. van Ndl. pionier (1574) was, soos in die geval van pion, 'voetsoldaat'. Die bet. 'wegbereider' in Ndl. word eers in 1866 aangetref, wsk., volgens WNT, 'in navolging van het Eng.'
Vgl. pion.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pionier: baanbreker; Nnl. pionier, soos Eng. pioneer, uit Fr. pionnier, “voetsoldaat” (eint. soldaat wat vooruit moet trek om loopgrawe voor te berei); vgl. pion.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pionier (Frans pionnier)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pionier ‘voortrekker’ -> Indonesisch pionir ‘voortrekker; type militaire genie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pionier voortrekker 1555 [Luython, Dictionaris in fransoys 12r] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal