Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pion - (een schaakstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pion zn. ‘schaakstuk’
Nnl. pion ‘schaakstuk’ in de Piönnen hebben geenen anderen loop, dan regtuit voorwaarts op het Bord, t'elkens ééne Ruite [1786; iWNT], door 't zetten van een Stuk of Pion [1792; WNT zetten].
Ontleend aan Frans pion ‘schaakstuk’ [1400-50; TLF], ouder al peon ‘id.’ [1380; TLF] en poon [eind 12e eeuw; TLF], oorspr. ‘infanterist, voetknecht’ [ca. 1180; TLF], ontwikkeld uit middeleeuws Latijn pedo (genitief pedonis) ‘infanterist, voetknecht’, een afleiding van klassiek Latijn pēs (genitief pedis) ‘voet’, verwant met → voet. De pion is genoemd naar de voetknecht of infanteriesoldaat omdat hij het kleinste schaakstuk is, dat het meest beperkt is in zijn bewegingen.
Het woord was al eerder ontleend: pion ‘loper, bode’ [1636; WNT] en ‘soldaat te voet, voetknecht’ [1641-42; WNT], betekenissen die in het Nieuwnederlands verdwenen zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pion1 [een schaakstuk] {1824} < frans pion < middeleeuws latijn pedonem, 4e nv. van pedo [voetsoldaat], van pes (2e nv. pedis) [voet]. Het woord was al eerder bekend als ‘voetknecht’ {1631-1634} en als ‘pionier’ in de vorm peon {1599} beide waarschijnlijk geleend < spaans peón.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pion znw. m., eerst nnl. < fra. pion ‘voetganger; stuk in schaakspelʼ < vulg. lat. pedone.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pion znw., nog niet bij Kil. Uit fr. pion, dat, met de oorspr. bet. “hakker”, van de basis pîk(k)- (zie pikken) komt. Kil. kent wel al pionnier “schansgraver” (nnl. pionier) < fr. pionnier “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

pion. Fr. pion < vulg.-lat. pedône ‘voetganger’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pion s.nw.
1. Skaakstuk. 2. Swakkeling wat in die opset van ander gebruik word.
Uit Ndl. pion (1824 in bet. 1). In Ndl. is pion in die vorm peon, uit Sp. peon, al in 1599 deur Kiliaan in die bet. 'pionier' opgeteken. Die vorm pion kom in 1631 - 1634 voor in die bet. 'voetsoldaat'. Die huidige bet. in Ndl. is eers in 1824 aan Fr. pion ontleen.
Vgl. pionier.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pion: voetgangerstuk i. skaakspel; Nnl. pion uit Fr. pion uit Ll. pedone (Lat. pedo (gen. pedonis), “voetsoldaat”, hou verb. m. Lat. pes (gen. pedis), “voet”).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pion (Frans pion)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pion ‘schaakstuk’ -> Indonesisch pion, piun ‘schaakstuk’;? Gimán pióng ‘draaitol (speelgoed)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pion een schaakstuk 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal