Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pinken - (flikkeren, knipperen)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pinken ww. ‘met de ogen knippenʼ, mnl. pinken ‘schitteren van het oogʼ (het eenmaal voorkomende pinchodi zal wel op te vatten zijn als pinkoogdi), nog. vla. pinken ‘flikkeren, flonkerenʼ. Kiliaen vermeldt naast pincken ‘flikkerenʼ ook pinck-ooghen, pimpooghen ‘knipogenʼ en als verouderd pincke ‘licht, oog, nachtlichtje; glimwormpjeʼ, vgl. nog ne. pink ‘pinkogenʼ — Klaarblijkelijk een jong woord voor een snelle beweging, snel opflikkeren; is het met nasaal-infix naast pikken gevormd?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pinken ww., mnl. pinken “knippen met de oogen” (slechts eenmaal in den verschreven vorm pinchodi “knipte hij”), ook “flikkeren” (van de oogen gezegd; nog Antw., vla. pinken “flikkeren, flonkeren”). Kil. vermeldt naast pincken “flikkeren” pinck-ooghen, pimp-ooghen “knipoogen, de oogen half sluiten (en zoo gluren)” en “pincke. vetus. Lumen: et Oculus. et cubicularis lucerna simplex: cicindela”. Wsch. is de ndl. ww.-stam piŋk-, die een onvaste beweging en een flikkeren aanduidt, eerst laat opgekomen. Ook eng. dial. komt to pink “knipoogen” voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pinken o.w., + Ndd. id., Eng. to pink, wellicht nasaleering van pikken. Uit Germ. Fr. pincer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

plinken, ww.: pinken, pinkogen. Ndd. plinke(r)plinkogen ‘knipperen met de ogen’. Uit pinken met l-epenthesis; vgl. bleffen, flouwijn, plaai. Vgl. ook D. blinken ‘knipperen (met lichtsignaal)’. Ook plinkogen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pink ww. (deftig)
'n Traan wegvee.
Uit Ndl. pinken (1898), 'n laat afleiding van pink 'pinkie', en is eers in Van Dale (1898) opgeneem. Die handeling word so genoem omdat daar probeer word om die opwellende traan ongemerk weg te vee, en dat die kleinste vinger, die pinkie, daarvoor gebruik word.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pinken ‘knipogen’ -> Engels dialect pink ‘met half toegeknepen ogen kijken’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal