Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pink - (vinger)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pink zn. ‘kleinste vinger’
Vnnl. Tclein vingerken, pinck ‘het kleine vingertje, pink’ [1567; WNT], pinck, pinckoy ‘pink’ [1599; Kil.], You borsjes, ... daer ick men pinck op set ‘jouw borstjes, waar ik mijn hand naar uitsteek’ [1651; iWNT hand].
Verder alleen nfri. pinke, pink ‘pink’. Misschien bestaat er verband met vnnl. pinke ‘eenjarig kalf’ [1514; MNW] en mnl. pinke ‘klein zeeschip, vissersboot’ [1477-78; MNW], waarbij men dan kan uitgaan van een algemene betekenis ‘iets kleins’. Dat zou overeenkomen met Engels (dialectisch) pink ‘iets kleins’ (OED). Verdere herkomst onbekend. Volgens NEW zou het een afleiding bij → pin 1 kunnen zijn vanwege de smalle vorm. Kuhn (1961) verklaart het woord uit een substraattaal met een onverschoven p- en vergelijkt dan → vinger.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pink1 [vinger] {1567} etymologie onzeker, misschien verwant met oudengels pinca [punt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pink 1 znw. m. ‘kleine vingerʼ, sedert Kiliaen, die pinck en pinckoy als Holl. opgeeft, oostfri. en fr. pinke, pink. Wegens de smalle vorm van deze vinger zou men aan een afleiding van pin kunnen denken.

pink [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 240 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pink I (kleine vinger), sedert Kil., die ’t “Hol.” noemt en ook pinckoy opgeeft. = oostfri., fri. pink(e) “pink”. Wellicht oorspr. een woord uit de kindertaal. De oorsprong is dan niet na te gaan. De oostfri. bett. “stukje worst, darm, penis” kunnen jonger zijn. Evenwel kan ook ags. on pincan “in puncto” verwant zijn: de oorspr. bet. zou dan zijn “spits voorwerp” en hoogerop zouden pin en pint verwant wezen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pink 1 m. (kleine vinger), Mnl. pinc + Ndd. pink, Ags. pinca = punt, dial. Eng. pink = klein, wellicht verwant met pin.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kink verouderd, (zn.) pink, vijfde vinger; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) kink.

pink (zn.) pink; Nuinederlands pinck <1567>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kink, zn.: pink. Wellicht door k-anticipatie uit pink.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

pinkie s.nw.
Kleinste vinger.
Afleiding met -ie van Ndl. pink (1567).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kink pink (Zuid-Limburg). Misschien door assimilatie ‹ pink (= fri. pink, misschien ~ oeng. pinca ‘punt’). In dat geval misschien uit de i.e. tussentaal van een stam die in het nl. regelmatig vinger opleverde en dan ~ vijf en fra. cinq (‹ lat. cinque) en gr. pénte ‘vijf’ en oind. pánca ‘vijf’.
TNTL XXXVIII 280, EW 284.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pink I: – (gew. dim.) pinkie – , kleinvinger; Ndl. pink (by Kil pinck en pinckoy), dial. Ndl. o.a. ping/pingelijn/pingeling en pinke; herk. onseker; by vRieb pingh; vgl. Kloe HGA 219, 305.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Pink Pinkske Volksnaam voor het Bokje ↑ in Noord-Brabant, hier ook wel Halfke genoemd. De verkleinwoorden wijzen er al op dat men de kleinheid van deze Snippensoort (tegenover de Watersnip, misschien zelfs tegenover de nu zeldzame Poelsnip) in de naam wilde benadrukken. De betekenis van het woord half wijst hierop, dus ligt het voor de hand te veronderstellen dat ook pink een aanduiding voor iets kleins (hier een kleine vogel) zal zijn. B&TS 1995 voelen dit aan, maar vergelijken met pink in de betekenis van ‘jonge Koe’; het bezwaar van deze vergelijking is, dat een pink ‘Kalf’ nog altijd een groot dier is! Daarom ligt een vergelijking met pink ‘kleinste vinger’ veel meer voor de hand. Misschien dat hier tevens sprake is van een spotnaam voor de vogel, aangezien pink ook ‘mannelijk lid’ kan betekenen.
De vergelijking die vDE 1993 met E (dial.) Pink (= ‘Vink’ ↑) maakt, lijkt hier semantisch totaal buiten de orde. Inderdaad is E Pink in deze betekenis een onomatopee (evenals N pink zoals vD opgeeft sub pinkVI), waardoor het woord in deze betekenis niet met het Bokje geassocieerd kan worden. Het Bokje, met een volksnaam ook Doverik ↑, ‘zegt’ namelijk helemaal niets (in ieder geval geen “pink”).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pink ‘kleinste vinger’ -> Duits dialect Pink ‘kleinste vinger’; Frans dialect † pinche, pinge ‘mannelijk lid’; Amerikaans-Engels † pinky ‘kleinste vinger’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels pinkie, ook pinky, vijfde, kleinste vinger (Craigie, DARE, Webster).
- Van Nederlands pink, verkleinwoord pinkje, pinkie; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en nog in gebruik.
* De herkomst van het Nederlandse woord pink of pinkje is onbekend; waarschijnlijk komt het oorspronkelijk uit de kindertaal. In het Amerikaans-Engels gold pinkie in de negentiende eeuw ook vooral als een kinderwoord. Het Nederlandse woord is behalve in het Amerikaans-Engels ook overgenomen in het Schots als pinkie, en het is dan ook mogelijk dat het woord behalve door Nederlanders ook door Schotten naar het Amerikaanse continent is gebracht. In ieder geval komt het veelvuldig voor in gebieden waar oorspronkelijk Nederlanders gevestigd waren. Het woord wordt nog regelmatig gebruikt: er staan veel voorbeelden, samenstellingen en uitdrukkingen met het woord in het Urban Dictionary, onder andere van pinky swear ‘het voor altijd bezegeling van een belofte door de pinken in elkaar te haken’. Ook Nederlandse kinderen kennen de gewoonte van pinkie zweren.
1848 Pinky. (Dutch, pink.) The little finger. A very common term in New York, especially among small children, who, when making a bargain with each other, are accustomed to confirm it by interlocking the little finger of each other’s right hands and repeating the following doggerel: Pinky, pinky, bow-bell,/ Whoever tells a lie/ Will sink down to the bad place/ And never rise up again. (Bartlett, Appendix)
1934 Ever since I left Mona I had worn the ring on my pinkie.
1941 [Cartoon caption:] Pinkey Straight Up, That’s The Class Way To Drink Tea, Pal!
1955 The assumption of these users of the word in the New York area seems to be that pinkie is known the length and breadth of the land ... My own investigations, however - so far as they have gone - reveal vast stretches of the continent in which pinkie ‘little finger’ is known to very few. It has a considerable degree of currency in Connecticut and Massachusetts, and it seems to be known in some parts of upper New York State as well as in the Hudson River region; but to the west and south of New York State there are few areas, with the exception of central and northern Michigan, where it passes current.
1962 When two people say the same thing at the same time, they should say nothing, link their pinkies, i.e., their little fingers, and make a wish ... Variant: they should link their pinky fingers.
2000 “Pinkie swear?” Spoken in reply to a promise; an affirmative response is followed by the discourse participants linking their pinkies with the rest of the fingers in a fist. (DARE)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pink vinger 1567 [WNT] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal