Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pinda - (olienoot, aardnoot (Arachis hypogaea))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pinda zn. ‘olienoot, aardnoot (Arachis hypogaea)’
Nnl. pinda ‘aardnoot, olienoot’ [ca. 1740; Anonymus], pinda ‘aardnoot’ [1783; Van Donselaar 2005], Cur. amandels of pinda's [1907; Groene Amsterdammer], pindar ‘aardnoot’ [1912; Bos], op Curaçao wordt weinig, op Aruba veel pienda aangeplant [1916; WNT].
Ontleend, via Papiaments pinda, pienda of Sranantongo pinda, aan een woord uit een of meer talen uit de Bantoe-subgroep van de Afrikaanse Niger-Congotalen, bijv. Kongo mpinda of Mpongwe (Gabon) mbenda; Pove (Gabon) péndá. Deze talen werden gesproken door de Afrikaanse slaven die naar West-Indië werden gevoerd. Volgens OED3 is ook van het Engelse woord pindar ‘aardnoot, pinda’ [1696], eerder al pinde [1684], dat nog altijd gebruikt wordt in het Caraibisch gebied en de zuidelijke Verenigde Staten, bekend dat het is meegebracht door Afrikaanse slaven. De aardnoot was echter niet inheems in Afrika maar komt oorspr. uit Zuid-Amerika, vanwaar zij tot in Midden-Amerika verspreid was. In de loop van de 16e eeuw is de aardnoot in Afrika ingevoerd, en vandaaruit in West-Indië en Noord-Amerika. Het lijkt waarschijnlijk dat men in Afrika bestaande woorden gebruikte om deze vrucht te benoemen. Het waarschijnlijkst is naamsoverdracht van een kleine kalebassoort, de Lagenaria vulgaris, op de pinda, omdat van beide de vrucht een harde droge schaal heeft en men van beide de oliehoudende zaden consumeert; deze kalebas heet bijv. in het Kikongo mbinda (Rossel 1987). OED3 suggereert dat het woord afkomstig is van een Bantoe-wortel met de betekenis ‘doordringen, (de aarde) penetreren’, omdat de vruchtbeginsels van de pinda als het ware onder de grond kruipen om daar verder te rijpen; zo staat bijv. in het Pove péndá ‘aardnoot’ naast péndáká ‘doordringen, penetreren’.
Er zijn geen namen voor de aardnoot in Zuid- of Midden-Amerikaanse Indiaanse talen bekend die tot pinda geleid zouden kunnen hebben.
pindakaas ‘broodsmeersel van pinda's’. Nnl. pienda-kaas ‘deeg van fijngestampte pinda's’ [1855; Van Donselaar 2005], pindakaas ‘smeersel van gemalen pinda's’ in (producten uit Suriname) zoveel lekkers ... jams, tamarinde, pindakaas [1912; NRC], potten pindakaas [1918; Centrum]. Gevormd uit pinda en → kaas in de betekenis ‘smeersel’. Een Duitse zendeling vertaalde in 1783, in een woordenlijst, Sranantongo pienda dokunu ‘pindakaas’ met Pinda-Käse, een in het Duits verder niet voorkomend woord: het broodbeleg heeft in het Duits vanaf de introductie Erdnussbutter geheten. De vertaling Pinda-Käse is dus een aanwijzing dat het woord pindakaas (en in ieder geval het woord pinda) in het Surinaams-Nederlands in 1783 al bestond (Van Donselaar 2005). Er bestaat ook een Engelstalige vermelding dat men in Suriname “butter” maakt van “pinda nuts” [1796; OED3]. In het huidige Engels spreekt men dan ook van peanut butter.
Lit.: Anonymus (ca. 1740), Ontwerp tot Eene Beschryving van Surinaamen, getypte kopie van een verloren handschrift in de Centrale Bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam; G. Rossel (1987), Gewasinnovaties in Gabon: Van Prehistorie tot Koloniale Tijd. Afstudeerscriptie Tropische Plattelandgeschiedenis, Landbouwuniversiteit Wageningen, 103-108; J. van Donselaar (2005), ‘Pindakaas, een oud woord uit Suriname’, in: Trefwoord, oktober 2005

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pinda [olienootje] {pintaas 1740, pinda's [plant] 1759} < papiaments pinda < kongolees (m)pinda.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pinda znw. v. ‘olienootjeʼ, eerst 19de eeuw < papiaments pinda, dat zelf weer uit kongolees mpinda ‘vrucht van arachis hypogaeaʼ stamt en dat door de negerslaven naar Amerika gebracht werd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† pinda znw. Jonge ontl. uit het gelijkluidende papiamentse woord, dat uit een afrik. taal afkomstig is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S. Joubert en N. van der Sijs (2020), ‘Antilliaans-Nederlandse woorden en hun herkomst’, in: Trefwoord, november 2020

pinda (Van der Sijs 2005) aardnoot; ontleend aan Papiaments pinda of Sranantongo pinda; het woord gaat terug op Kongolees mpinda en is door tot slaaf gemaakten uit Afrika naar Amerika gebracht. Het is doorgedrongen tot het Europees-Nederlands en heeft daar vroegere benamingen als aardnoot, olienoot, sausje of kesausie vervangen; sausje en kesausie gaan terug op Curaçaose noot, en zijn dus genoemd naar de plek waarvandaan ze naar Nederland werden verscheept.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pin’da: wilde pinda (de), kruipend of klimmend kruid met kleine, oranjegele vlinderbloemen in trossen (Rhynchosia minima, Bonenfamilie*). Zie WB e.a. 206. - Etym.: De gelijkenis met pinda (Arachis hypogaea) is klein.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

pinda: (tot nog toe hoofs. boekw. v.) grondneut/grondboontjie (Arachis hypogaea); Ndl. pi(e)nda/piendel, Eng. (1707) pinda(l)/pindar/pinder, Port. pinda uit Kongo mpinda, Mpo. mbenda, deur negers na Am. oorgebring; v. grondboontjie/-neut, katjang(boontjie).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

pinda: klein persoon. Syn.: broekenman*, droldrie*, dwerg*, garnaal*, gnoom*, hobbit*.

Toen we een jaar of 15 waren, zaten Peter H. en ik op schoonspringen. Hij was nog best goed ook. We noemden hem de pinda, omdat hij zo klein was. (Nieuwe Revu, 16/03/2005)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pinda (Papiaments pinda)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pinda ‘olienootje’ -> Fries pinda ‘olienootje’; Sranantongo pinda ‘olienootje’; Aucaans pinda ‘olienootje’; Saramakkaans pindá ‘olienootje’; Arowaks pinda ‘olienootje’; Tiriyó pinta ‘olienootje’ <via Sranantongo>; Sarnami pindá ‘olienootje’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) panda ‘olienootje’.

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

pinda’s. Letterlijke vertaling van Engels peanuts = kleinigheid; habbekrats; Maar dit is pinda's vergeleken met de piraterij in de media. Ik ben in heel Vietnam geen normale CD, boek of video tegengekomen. (2003); Maar nogmaals, het is logisch om verlaging van verzendkosten te krijgen als dit wordt aangeboden en dit rederlijkerwijs naar gelang het totaalplaatje. Vijf euro is pinda's; Streven naar efficiëntie, voor wat betreft leasecontracten, overwerken enzovoort, zal structureel moeten worden aangepakt. De overige bezuinigingen zijn pinda's, om mijnheer Tiddens een plezier te doen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pinda olienootje 1740 [Ontwerp tot beschrijving Surinaamen 16] <Papiaments

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal