Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pina - (soort palm)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pi’na (de, -’s), 1. kleine soort palm (Euterpe oleracea, Palmenfamilie*). Van de rivier af herkent men de pina dadelijk aan de lichtgekleurde, gladde, vaak sierlijk gebogen stammen en aan het sierlijk omlaag hangen van de vrij licht groene, smalle en regelmatig gevormde bladslippen (Ost. 263). - 2. (zonder mv.) blad van deze palm. Ze liepen langs de bomen die aan de waterkant groeiden, ze liepen naarde met pina bedekte tent*, die dienst deed als wachthuisje voor de passagiers die met de boot mee moesten (B. Ooft 1969: 37). - 3. palissade* (1) uit een pinastammetje. De negerhuizen zijn op vele plantaadjen* slecht, op eenige zijn wel gebouwen van planken, maar op vele andere van pina, dat is, uit de schors van zekere in het wild groeijende palmboomen, () en met de takken en bladen van dien boom overdekt (Kuhn 1828: 13). - S. Oudste vindpl. van 1 Heneman 1784; van 2 Teenstra 1835 I: 411; van 3: cit. N vormen: pijn voor 1 (1772, zie De Beet 112), pien voor 1 (Brouwn 1796; 1984: 51) en voor 2 (1769, zie De Beet 86). - Syn. van 1 manicole*, palissade(palm)*, pinaboom*, pinapalm*. Samenst. van 2 ook pinadak (Teenstra 1835 II: 148).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal