Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pil - (geneesmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pil 1 zn. ‘geneesmiddel, voorbehoedmiddel’; (NN) ‘dokter’
Mnl. pille ‘bolletje geneeskrachtige stof’ in dese pillen die de zieke sal houden onder sine tonge [1351; MNW-P], pillen also groet alse ene erwete [1351; MNW-P], maecter af pillekine ‘maak er pilletjes van’ [1351; MNW-P]; vnnl. pil, pille ‘geneesmiddel’, ook overdrachtelijk in een bitter pille ‘iets onaangenaams’ [1567; WNT], ook nog ‘bolletje of balletje van niet-medicinale stof’ in Pillen, platte Koekjes, Balletjes [1666; WNT plat III], Taback ... hiervan maeckense Pillen [1682; WNT]; nnl. pil ook ‘iemand die met pillen omgaat, geneesheer, apotheker’ in weergasche Pil ‘jij dekselse pillendraaier’ [1865; WNT], de pil, ik bedoel de scheepsdokter [1881; WNT], ‘anticonceptiepil’ in tegen alle reclame voor de pil [1964-65; Reinsma 1975], ‘bolletje in sommige soorten textiel’ [1976; Van Dale].
Ontleend aan middeleeuws Latijn pilla ‘pil, balletje’, nevenvorm van klassiek Latijn pilula ‘balletje, bolletje, pil’, het verkleinwoord van pila ‘bol van stof, met haar gevulde bal’, verwant met pilus ‘haar, draadje’, zie → pool 2. De betekenis ‘bolletje’ is wrsch. sinds het Vroegnieuwnederlands blijven bestaan. Zie ook → pil 2.
Bij de betekenis ‘dokter, apotheker’ heeft mogelijk ook een rol gespeeld dat een geleerde wel pil werd genoemd, als verkorting van pilleus, een verwijzing naar de pilleus quadratus, de vierkante vilten doctorshoed (Van Veen 1987).
Lit.: P.A.F. van Veen (1987), Sprekende getuigen. Over de herkomst van onze woorden, Baarn

pil 2 zn. ‘dikke boterham; lijvig boekwerk’
Vnnl. pille ‘klomp deeg’ [1599; Kil.]; nnl. pil ‘dik stuk voedsel’ in drie van zulke pillen in je maag [1896; WNT], twee pillen van boterhammen [1909; WNT], ‘dik boek’ in een lijvige pil [1976; Van Dale].
Hetzelfde woord als → pil 1. Een pil kon een balletje of klontje zijn van allerlei grondstoffen, en ook een grotere ronde of bijna ronde klomp van iets; dat laatste was vaak een flinke homp brood, een dik stuk kaas enz., en uiteindelijk, wrsch. bij vergelijking met een dikke boterham, ook een dik boek.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pil1 [geneesmiddel] {pil(le) 1351} middelnederduits pille, engels pill < latijn pilula [balletje, pil], verkleiningsvorm van pila [bal], verwant met pilus [(lichaams)haartje]; in de betekenis ‘bolletje’ in sommige soorten textiel komt pil < engels pill, dat overigens eveneens van pillula stamt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pil znw. v., mnl. pille, pil, maar ook piller, mnd. nhd. pille. De oude vorm is te vinden in mhd. pillele < mlat. pillula < lat. pilula (> fra. pilule), verkleinwoord van pila ‘bal’. — > ne. pill (sedert 1484, vgl. Bense 281).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pil znw. Kil. pille, Teuth. pille. Evenals mnd., nhd. pille v. en mnl. (of l6.eeuwsch?) piller “pil” gedissimileerd uit mnl., mnd. *pillel(e), mhd. pillele v. “id.”. Ontl. uit mlat. pillula = lat. pilula (> fr. pilule), demin. van pila “bal”. Voor de dissimilatie vgl. pellen I. Eng. pill “pil” uit het Ndl. of Du.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pil v., gelijk Hgd. pille, Eng. pill, uit Fr. pilule, van Lat. pilulam (-a), dimin. van pila = bal.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

pèl (zn.) pil; Middelnederlands pille <1351> < Latien pilla.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

pulle 2 zn. v.: pil. Hypercorrecte vorm voor pille ‘pil’. Vermoedelijk heeft in het Zeeuws een Ingw. ontronde vorm pille naast pulle 1 bestaan, die ook in het Gents en het Kortrijks bestaan heeft. Maar de u in pulle kan ook worden verklaard door klinkerronding na bilabiale p, vgl. pupe < pipe.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

pille (DB), zn. v.: lokvink. Wellicht hetzelfde woord als pille ‘pil’ < Lat. pilula ‘balletje, pil’. Er kan een betekenisverschuiving zijn van balletje als ‘lokaas’ naar ‘lokvink’. Aangezien de vinkenvangers pillen, d.i. aan een touwtje trekken, om de lokvink te doen opfladderen, denkt De Bo aan het ww. pellen bij Kiliaan ‘plukken, trekken’, dat Kiliaan in verband brengt met E. to pull.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pil ‘geneesmiddel’ (Latijn pillula); ‘voorbehoedmiddel’ (Engels pill); (de -- vergulden) (vert. van Frans dorer la pilule)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pil ‘geneesmiddel’ -> Engels pill ‘geneesmiddel; bolletje; bal; klootzak, klier (slang)’; Deens pille ‘geneesmiddel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pille ‘geneesmiddel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noord-Sotho pilisi ‘geneesmiddel’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana pilisi ‘geneesmiddel’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa pilisi ‘geneesmiddel’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe philisi ‘geneesmiddel’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho pilisi ‘geneesmiddel’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch pél, pil; (Bahasa Prokem) lip, liplip ‘geneesmiddel; (Bahasa Prokem) kalmeringsmiddel, narcotica’; Ambons-Maleis pil ‘geneesmiddel’; Balinees pil ‘geneesmiddel’; Gimán pel ‘geneesmiddel’; Jakartaans-Maleis pèl, pil ‘geneesmiddel’; Javaans epil, pil ‘geneesmiddel’; Madoerees ēppel, ēppil, pil ‘geneesmiddel’; Makassaars pêl, pêlé ‘(kinine)pil’; Menadonees pèl ‘geneesmiddel’; Minangkabaus pel ‘geneesmiddel’; Muna pele ‘geneesmiddel’; Papiaments pelchi, pilchi (ouder: peeltsji) ‘geneesmiddel in capsulevorm’; Sranantongo perki ‘geneesmiddel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pil geneesmiddel 1351 [MNW] <Latijn

pil anticonceptiepil 1964 [R75] <Engels

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2699. (Aanv.) Pil no. 11.

In Ned.-Indie de naam voor vergif. Vgl. fr. bouillon d'onze heures, giftdrank; prendre un bouillon d'onze heures, zich om 't leven brengen. Volgens Noord en Zuid XXIX, 231 een drank, dien men iemand om elf uur ingaf, zoodat het slachtoffer te middernacht was ingeslapen om niet weer te ontwaken (?).

1827. Eene bittere pil moeten slikken,

d.w.z. eene pijnlijke, onaangename zaak moeten verrichten; iets onaangenaams moeten hooren; vgl. de synonieme uitdr. eene harde noot moeten kraken en Vondel's Leeuwendalers, vs. 1687: Hy (Pan) eischt ons Adelaert, dat bitter valt te zwelghen; Halma, 637: Une facheuse pilule, une chose fâcheuse à souffrir, een harde pil om te verdouwen; Afrik. dis 'n bitter pil om te sluk. In het Fransch gebruikt men hiervoor avaler la pilule, des couleuvres ou des poires d'angoisse; eng. to swallow, to eat a bitter pill, (boiled) crow; hd. eine bittre, grobe, harte Pille verschlucken; wij zeggen ook iets moeten slikken; iemand een bitteren borrel geven; iets moeten opdrinken (17de eeuw), opeten. In 't fri.: in bitter drankje; in Twente: ne harde körste om te kauwen; in 't oostfri.: hé hed hum 'n dugtigen pill gefen (Ten Doornk. Koolm. II, 718 a); fr. cest du pain bien dur, c'est du pain; syn. is een harde pil.

1828. De pil vergulden,

d.w.z. het onaangename fraai of aannemelijk voorstellen; iemand met vriendelijke woorden, op zachte wijze iets zeer pijnlijks zeggen; het leed, dat men iemand heeft moeten aandoen, door iets vriendelijks, een gunstbewijs, verzachten. Vgl. Huygens VI, 39:

 De Trouw-feest is een dagh van 'tuyterste vermaecken:
 Den Gecken tot een aes, den Wijsen tot een baecken.
 Maer, Bruydegoms, die 'tzijt, of die het werden sult,
 Denckt niemand eens waerom de Pille werdt vergult?

Halma, 505: Dat zijn vergulde pillen, daar schuilt wat kwaads onder; II, 637: Dorer la pilule, dire en termes obligeans quelque chose de désagréable. In het Fransch gebruikt men naast dorer la pilule ook sucrer la moutarde; hd. die Pille vergolden, überzuckern; eng. to sugar, to gild the pill; de Romeinen noemden zulk een vergulde pil litus melle gladius, een zwaard met honig bestreken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal