Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

pijler - (steunzuil)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

pijler zn. ‘steunzuil’
Mnl. pijlre ‘muurdam, steunbeer’ [1387; Haslinghuis 2001], in den pijlre ‘in de steunbeer’ [1423; MNW]; vnnl. De derde pijler vest ‘de derde steunpilaar geeft stevigheid’ [1617; WNT], met pylers en pylaren (bedoeld zijn personen) [1630; WNT]; nnl. een der pijlers, waarop zij rust, is door den stroom weggerukt (over de Elbebrug in Dresden) [1844-51; WNT].
Hetzij een nevenvorm van → pilaar en dan dus rechtstreeks ontleend aan het Latijn, hetzij ontleend aan Middelnederduits piler ‘pijler’, dat op hetzelfde Latijnse woord teruggaat. Voor deze tweede mogelijkheid pleiten de zeldzaamheid van het woord in het Middelnederlands en het feit dat in het Nederduits en Hoogduits het woord al langer met de klemtoon op de eerste lettergreep werd uitgesproken (NEW).
Os. pīliri (mnd. piler); ohd. pfīlāri ‘id.’ (nhd. Pfeiler); ofri. pīler (nfri. pylder).
Meestal is het woord synoniem met pilaar, behalve bij bruggen, waarvan de ondersteuningen alleen pijlers genoemd worden, en in de mijnbouw. De woorden pijler en pilaar (meestal in de samenstelling steunpilaar) worden vaak figuurlijk gebruikt (bijv. om belangrijke mensen aan te duiden).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

pijler [steunpilaar] {1430} hetzelfde woord als pilaar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

pijler znw. m., mnl. pîlere, pîler, pijlre is een late en zeldzame vorm naast het meer algemene pilâre. Het woord is een vroege ontlening uit vulg. lat. *pilāre afl. van pīla en behoort tot de vele andere termen van de huisbouw, die de Germanen van de Romeinen hebben overgenomen (vgl. kalk, kamer, muur, pleister, poort, venster, zolder enz.). Met de lat. accentuatie vinden wij nog mnd. pilār, ohd. pfilāri (vgl. ook on. pilarr uit het mnd.). Daarnaast trad ook onder invloed van de germ. accentuatie de vorm met naar voren getrokken klemtoon op, vgl. os. pīleri m. ‘cancellus’, ohd. pfílāri (nhd. pfeiler). Het mnl. pīlere zou dus ook voortzetting van deze vorm kunnen zijn, maar daar het laat en zelden optreedt is invloed uit een oostelijke taal (nd. of hd.) ook mogelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

pijler znw., mnl. pîler(e), pijlre m. Deze vorm is laat en zeldzaam en òf als een in sommige noordndl. streken bewaard gebleven oude vorm met beginbetoning = ohd. pfîlâri (nhd. pfeiler) m. “zuil”, os. pîleri m. “cancellus” òf als een onder hd. of ndd. invloed naast veel gebruikelijker mnl. pilâre m. (o.) (nnl. pilaar) opgekomen vorm te beschouwen. Ohd. pfîlâri enz. is een vóór-ohd. ontl. uit laat-lat. pîlâre, pîlârium (> fr. pilier, eng. pillar “zuil”; een afl. van lat. pîla “zuil”); mnl. pilâre (ook pîlaerne, -e(e)rne, ook v.), mnd. pilâr (naast pîl(e)re) m. (> laat-on. pîlârr m.) “pilaar” zijn door hernieuwde ontl. uit resp. beïnvloeding door het lat. woord te verklaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

pijler m., naar Hgd. pfeiler: z. pilaar.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

pijler (vulgair Latijn *pilare)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Pijler, pilaar, van ’t Lat. pilare, van pila = paal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

pijler ‘steunpilaar’ -> Deens pille ‘steunpilaar’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

pijler steunpilaar 1430 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal