Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peuzelen - (met genoegen opeten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

peuzelen ww. ‘met genoegen opeten’
Vnnl. peuzelen ‘betasten’ [1573; Thes.], ‘betasten; peuteren; peuterend eten, met kleine stukjes eten’ [1599; Kil.], peuselen en pluyse, Soo aen een hoender boutje ‘peuzelen en kluiven aan een kippenboutje’ [1610-19; WNT].
Wrsch. een affectieve nevenvorm van → peuteren, misschien onder invloed van → beuzelen en/of andere affectieve woorden op -euzelen, zoals → treuzelen en vnnl. reuzelen ‘zachtjes ritselen’. Verband met Oudsaksisch pusilin ‘jongetje’ of Latijn pusillus ‘zeer klein’ (NEW) is gezien de jonge leeftijd van het woord en het betekenisverschil onwaarschijnlijk.
Verwantschap met nnd. pöseln ‘hard werken’, met nevenvormen pusseln, busseln, ook ‘beuzelen’, en nhd. bosseln ‘knutselen, boetseren’ lijkt evenmin wrsch.; deze woorden horen vermoedelijk bij ohd. bōzen ‘slaan, stoten’, zie → beat en → aambeeld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peuzelen* [langzaam werken, eten] {puezelen 1546} vermoedelijk een verscherpte vorm van beuzelen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

peuzelen

Onder peuzelen wordt verstaan: langzaam en op z’n gemak bij kleine beetjes eten, eten bij wijze van versnapering in tegenstelling tot het eten dat alleen dient om te voeden. Er zitten twee elementen in het woord die kenmerkend zijn voor de betekenis: het langzame en het genieten met kleine hapjes. Het zelfstandige naamwoord peuzel, bijna uitsluitend in de verkleinende vorm peuzeltje gebruikt, betekent zowel: iemand die talmt, treuzelt als: meisje dat wat lichtzinnig van het leven geniet. Zo gebruikt Cremer het in zijn Betuwse novellen. Peuzelen is een woord met een sterke gevoelswaarde dat ook: betasten, bevoelen, betekende en vandaar: een meisje aanhalen, vrijen. Een peuzeltje is dan een meisje dat niet afkerig is van jongens.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peuzelen ww., sedert Kiliaen ‘onbeduidend werk verrichten; langzaam en met smaak eten; talmen’, nnd. pöseln, pusseln, busseln ‘hard werken, zich aftobben’, maar ook ‘beuzelen’, nhd. bosseln, posseln ‘beuzelwerk verrichten’. — Een niet homogene woordengroep; een vorm als hd. bosseln wijst op een iteratief van ohd. bōzen ‘slaan, stoten’, vooral wanneer men met Kluge-Mitzka 93 van de bet. ‘kegel stoten’ zou mogen uitgaan. Daarentegen is nl. peuzelen eerder een affectieve bijvorm van beuzelen (zonder dat men daarom invloed van ww. als peuteren behoeft aan te nemen).

Men kan dit ww. moeilijk scheiden van het znw. peuzel. Indien dit met H. Kuhn ZfdMaf 28, 1961, 6 te verbinden zou zijn met lat. pusillus ‘zeer klein’ en verwante woorden, dan zou men voor peuzelen als grondbet. kunnen aannemen ‘met kleine hapjes eten; onbeduidende werkjes verrichten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

peuzelen ww., sedert Kil. = ndd. pöseln, waarnaast pusseln, busseln e.a. vormen, deels met de bet. “hard werken, zich aftobben”, deels met de bet. “beuzelen, ijverig met een beuzelwerk bezig zijn” (ontleend: de. pusle “met iets in de weer zijn” e.a. bett.), nhd. bosseln, posseln “beuzelwerk verrichten”. Wsch. is de woordgroep met p een jongere anlautvariant — onder invloed van de woordfamilies van peuren, peuteren? — van die met b, waarvan ook beuzelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peuzelen ono.w., + Ndd. pöseln, dial. Hgd. pusseln: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

peusel ww.
1. Langsaam, soms met teësin, eet. 2. Onbelangrike takies verrig.
Uit Ndl. peuzelen (1546) 'langsaam en met smaak eet, iets opeet; onbeduidende werk verrig'. Hoewel die woord nie in Mnl. opgeteken is nie, moes dit, blykens die afleiding poyselaer, bekend gewees het. In Afr. in enkele nuutskeppings: peuselhappies, peuselkroeg.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

peusel: onbelangrike dingetjies doen; langsaam en effentjies aan iets eet; Ndl. peuzelen (by Kil peuselen), Hd. bosseln/posseln, Ned. pöseln/pusseln/busseln, vlgs. dVri J NEW mntl. “een affectieve bijvorm van beuzelen” en verw. aan Lat. pusillus, “baie klein”, vgl. Eng. pusillanimous.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peuzelen* met genoegen opeten 1599 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal