Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peter - (doopgetuige)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

peet, peter zn. ‘doopgetuige’
Mnl. petern ‘doopvader’ [1240; Bern.], petrijn [1300-50; MNW-R], Dat peterne ende pete hebben zoude Dkint dat ter vonten quame ‘dat het kind dat naar het doopvont kwam peter en meter moest hebben’ [1340-60; MNW-R], pete ‘peetmoeder’ [ca. 1483; MNW pete], die petrin ende metrin van die kinderen ‘de doopvaders en -moeders van de kinderen’ [1445-55; MNW metrijn], petren ende metren ‘doopvaders en -moeders’ [15e eeuw; MNW pete]; vnnl. peter ‘doopvader’, pete ‘doopmoeder, doopvader’ [beide 1599; Kil.], peters ende meters [1540; WNT meter II].
Ontleend aan christelijk Latijn patrinus ‘doopvader, peetvader’ [7e eeuw; Niermeyer], afleiding van pater (genitief patris), zie → vader. De -i- veroorzaakte umlaut van de eerste lettergreep. De oorspr. vorm is dus mnl. petrijn, waaruit door verzwakking van de eindlettergreep petren en petern kon ontstaan, en door herinterpretatie van de -n als meervoudsuitgang een nieuw enkelvoud peter ‘doopvader’. Hierbij ontstond een vrouwelijke afleiding mnl. pete ‘doopmoeder’. Naar analogie van patrinus werd in het Frankisch-Gallische gebied ook christelijk Latijn matrina ‘doopmoeder’ [7e eeuw; Niermeyer] gevormd, bij klassiek Latijn māter ‘moeder’, zie → moeder. Dit werd in het Nederlands overgenomen als meter ‘doopmoeder’. Mnl. pete, (v)nnl. peet ‘doopouder, doopgetuige’ werd daarna vaak geslachtsloos, naast de geslachtsbepalende woorden peter en meter. Daarnaast ontstonden in het Vroegnieuwnederlands samenstellingen als peetvader, peetoom, peetmoeder, peettante en petekind.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peet [peter of meter] {1704} verkorting van middelnederlands peter, petrijn [doopvader, petekind] < middeleeuws latijn patrinus [doopvader], van pater (2e nv. patris) [vader, ook pleegvader, schoonvader] + -inus [behorend bij, -achtig].

peter [doopvader] {1201-1250} < middeleeuws latijn patrinus [vaderachtig], van pater (2e nv. patris) [vader] (vgl. pater, peet).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peet znw. v., ‘peettante, petemoei’, mnl. mnl. pēte v. ‘doopmoeder’ (naast peter m.). Verder nog pētrijn, pētrin, pētren, pēteren ‘doopvader, peter’ en ‘petekind’, alles woorden van de frankische kerktaal < laat-lat. patrīnus ‘peter’ (> ital. patrino, nfra. parrain); vgl. ook mnd. pēter, petter, mhd. pfetter (nhd. dial. pfetter, petter). De vorm pēte is dan een verkorting in gemeenzame taal van pēter evenals mnl. pade ‘peetvader, peter’, mnd. pade ‘peetvader, petekind’, mhd. pate, bate (nhd. pate) ‘peetvader’ < lat. pater (spiritualis).

Het affectieve karakter van dit woord blijkt nog uit de door Kiliaen genoemde bijvormen pitte, pitteken ‘avia’, pitthe ‘susceptrix’ en het door hem als Leuvens genoemde pittheycken, pitthijken ‘avus’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

peet znw. Het Mnl. kent pēte v. “doopmoeder”, pēter (nnl. peter) m. en pētrijn, -in, -en, pēter(e)n m. “doopvader, peter” en ook “petekind”. Pētrijn enz. gaat op laat-lat. patrînus “peter” (> it. patrino, fr. parrain) terug, evenzoo pēter, mhd. pfetter (nhd. dial. pfetter, petter), mnd. peter, petter m. “id., peetkind”; zie meter I. Mnl. pēte, dat oorspr. wel als m. znw. “peetvader” beteekend zal hebben en nog die bet. heeft, is op dgl. wijze verkort als pāde; zie paai; vgl. ook ohd. arzât bij arts.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

peet, peter. Wsch. termen van de frankische kerk. Over een andere, van de ags. kerk uitgaande benaming zie bij meter I Suppl.
Hypocoristische bijvormen zijn Kil. pitte, pitteken ‘avia’, pitthe j. pete ‘susceptrix’ (vgl. ook pitt-heycken, pitt-hijken ‘avus’, door Kil. als Leuvens opgegeven; het tweede lid deminutief van het bij huwen vermelde mnl. hîe m. ‘mannetje’?), die nog in zuidel. diall. voorkomen in toepassing op mannen en vrouwen, met bett. als ‘peetoom’, ‘peettante’, ‘oude man of vrouw’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peet m., niet rechtstreeks uit Lat. patrinum (z. peter), maar of wel opgemaakt uit peetje (dimin. van pee, den “koseform” van peter), of wel onder invloed van pade (z. paai 1) ontstaan uit peter.

peter , Mnl. id., gelijk dial. Hgd. pfetter, Fr. parrain, uit Mlat. patrinum (-us), afgel. van Lat. pater = vader (z.d.w. en vergel. meter). Hgd. pathe komt van Lat. pater (z. peet en paai 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

paat verouderd, (zn.) peettante; Nuinederlands pete <1599> < Latien patrinus.

petere (zn.) peetoom; Vreugmiddelnederlands petern <1240> < Latien patrinus.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

petie (ZO), zn.m.: groot, dik, oud mens; meester, baas; (meestal zwaarlijvige) pastoor; dikke jongen. Zovl. -ie-augmentatief van pee(t) 'peter, peetoom' (Hoebeke 1969, 217). Vgl. peetje, eig. 'petertje' > 'oud mannetje'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

peet s.nw.
Getuie by iemand se doop.
Uit Ndl. peet (al Mnl.). In Afr. tree peet veral op as eerste lid van talle samestellings, bv. peetkind, -oom, -ouers.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Peet snw. Segsw.: Jou peetjie afwag vir iemand. – Vgl. Opprel 76: “Zǝn pēēt òitslȯvǝ, zijn uiterste best doen.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

peter ‘doopvader’ -> Negerhollands pepee ‘doopvader’.

peter ‘oude munt’ -> Frans dialect † pietre, pétèrmène ‘muntsoort (met de afbeelding van Sint Pieter)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peet peter of meter 1519-1524 [Stadb. Zwolle III]

peter doopvader 1240 [Bern.] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal