Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peinzen - (denken, nadenken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

peinzen ww. ‘denken, nadenken’
Mnl. peinsen, pensen, pynsen, pinsen ‘denken, menen, overdenken, uitdenken’ in pensen ‘overdenken, bepeinzen’ [1240; Bern.], peinst om mj ‘denk aan mij’ [1290; VMNW], peisen in soe ic meere in die peyse ‘hoe meer ik aan je denk’ [1376-1425; VMNW], vnnl. peyzen, peynzen oft dincken ‘denken, nadenken, menen’ [1562; Naembouck], peynsen, peysen ‘(na)denken’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Latijn pēnsāre ‘wegen, overwegen, overdenken, beoordelen’, zie → compensatie. De verschuiving -e- > -ei- voor gedekte nasaal komt ook voor in → einde en ook in de gewone Middelnederlandse vorm veinster voor → venster. De in de Zuid-Nederlandse spreektaal nog gebruikelijke vorm peizen is ontstaan door assimilatie -ns- > -s-; hetzelfde heeft zich voorgedaan in het Zuid-Nederlands bij venster > veinster > veister.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peinzen [denken] {pe(i)nsen, peisen 1201-1250} < frans penser [nadenken] < latijn pensare [wegen, overwegen], iteratief van pendere (verl. deelw. pensum) [wegen] (vgl. pensief).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peinzen ww., mnl. pensen, peinsen, peisen, pinsen ‘denken, peinzen, overwegen, bedenken’, evenals mnd. mhd. pensen, pinsen < fra. penser (sedert de 10de eeuw) > lat. pensāre ‘tegen elkander afwegen’ (waaruit ook fra. peser, eerst sedert de 12de eeuw vermeld en oe. pinsian ‘wegen, denken’). FW 495 meent, dat de ontlening langs geleerde weg uit het latijn en niet uit de romaanse volkstaal geschiedde. Maar mnl. stemt met ofra. juist in de bet. ‘denken, peinzen’ overeen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

peinzen ww., mnl. pensen, peinsen, peisen, pinsen “denken, peinzen, overwegen, bedenken”. Evenals mhd. mnd. pensen, pinsen “id.” uit lat. pensâre “wegen, overwegen”, waarop ook fr. peser “wegen” en — door ontl. —penser “denken” teruggaan, en waaruit eveneens ags. pinsian “wegen (bijv. de ziel op den oordeelsdag), denken” ontleend is. In alle germ. talen moeten wij aan geleerde ontl. uit ’t Lat. en niet aan volksontl. uit het Rom. denken. Voor ’t ndl. vocalisme vgl. einde, veinzen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peinzen ono.w., Mnl. peinsen, pensen, gelijk Ags. pinsian, Fr. penser, uit Lat. pensare = wegen, overwegen, frequent. van pendere = wegen (z. pond).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

peins ww.
In gedagte versonke wees, nadink, oordink.
Uit Ndl. peinzen (Mnl. peinsen, pensen).
Ndl. peinzen uit Fr. penser 'nadink'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

peien 2 (DB: K), ww.: denken. Door syncope van z <peizen < peinzen. Wsch. ontstaan door de cluster peizdje >peidje ‘denk je’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

peins: bedink, nadink; Ndl. peinzen (Mnl. pe(i)nsen/peisen/pinsen), uit Fr. (10e eeu) penser, “dink, oorweeg”, uit Lat. pensāre, “teen mekaar af- of opweeg”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

peinzen (Frans penser)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Peinzen van ’t Fr. penser = denken, overdenken; van ’t Lat. pensare = overwegen. Mnl. ook pensen: „Die coninc pensde in sinen moet” (binnenste).

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
peinzen. - Dit werkwoord, dat in de Zuidnederlandsche volkstaal het gewone woord is, zooals denken het is in de noordelijke gewesten, vereischt, in den zin van: een meening hebben, een bepaling met over. Maar men zegt algemeen: wat peist ge daarvan? zoodat aan die constructie burgerrecht zal moeten verleend worden. Ze is natuurlijk te wijten niet alleen aan het feit, dat fr. penser met de geconstrueerd wordt, maar ook hieraan, dat ndl. peinzen aan fr. penser ontleend is. Het is dus waarschijnlijk dat te gelijk met het woord ook zijn regeering overgenomen werd.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
peinzen. - Bij dit werkwoord staat een oorzakelijk voorwerp met op; peinzen op iemand of iets. In de Zuidnederlandsche boekentaal leest men echter niet zelden peinzen aan iets of iemand. Dit moge wellicht analogie zijn naar denken aan iets of iemand, veeleer nog is het navolging van de Fransche constructie met à bij penser. || Hij peinsde gedurig aan zijn stil en zedig leven, SLEECKX 14, 318. Uw vader zoo’n verdriet aandoen! ... Hoe durft gij er aan peinzen? 15, 243 (zie ook 8, 336; 12, 78). ’t Heiken mijns vaders, met vennen, met kievit- en kneuterennestjes. Waar dat ik vaak aan … peisde op de banken der dorpsschool, MERCELIS, K. Harp 19. Die vrouwen, die vrouwen! … dat peinst aan niets dan aan wrijven en boenen, V. CUYCK in Ned. Dicht- en Kunsth. 10, 23. Als hij aan de school peinst, komt weer de herinnering aan Bien boven, MOORTGAT, Versleten 133. ’t Meisje … peinsde aan leed en rouw, RAMBOUX, Ged. 17. Wijl Hun moeder droomend op den drempel stond Te peinzen aan een ander henengaan, 21. De ouderling … peinsde weer Aan vroeger tijden, 27. Is er … spraak van eenen brief (als onderwerp voor een opstel), dan mag er zelfs aan geen plan gepeinsd worden, EEN RUSTEND ONDERWIJZER in De Toekomst 35, 291.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

peinzen ‘denken’ -> Deens pønse ‘denken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors pønse, pønske ‘denken’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peinzen denken 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal