Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

peer - (vrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

peer zn. ‘vrucht van de perenboom (Pyrus)’
Mnl. pere ‘peer’, perbom ‘perenboom’ [beide 1240; Bern.], et gesoden peren dar bi ‘en gestoofde peren erbij’ [1253; VMNW]; vnnl. peer ‘vrucht’ in vroege peren [1573; WNT], ‘perenboom’ in de peeren zijn tweederley te weten de tamme ... ende de wilde [1608; WNT]; nnl. peer bij overdracht ook ‘peervormig voorwerp’ in de middelste peer ... van zuiver zilver (over versieringen op een dak) [1724; WNT], overdrachtelijk ook ‘gloeilamp’ in peertjes en booglampen [1904; WNT].
Vroege ontlening aan vulgair Latijn *pira ‘peer’, de meervoudsvorm van Latijn pirum ‘peer’, ouder *pisom. Het Latijnse woord is evenals Grieks ápion ‘id.’ en ápios ‘perenboom’ ontleend aan een onbekende taal uit het gebied rond de Middellandse Zee.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

peer2 [vrucht] {pere 1201-1250} < vulgair latijn pera < latijn pirum, waarvan het mv. pira later werd aangezien voor een vr. enk. Het lat. is ontleend aan een voor-i.-e. taal. De vorm grieks apion is hetzelfde woord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

peer znw. v., mnl. pēre v., nederrijns pēr, oe. pere, peru is een vroege ontlening in de Romeinse tijd in het gebied van de Nederrijn < lat. pirum (Th. Frings, Germ. Rom. 1932, 152).

Het nhd. woord birne is anders te verklaren; de n is uit verbogen naamvallen binnengedrongen, want wij vinden ohd. pira, bira (nog nhd. dial. bir). Dit woord moet later overgenomen zijn en wel na de hd. klankverschuiving; de b is te verklaren uit de verschillende articulatie van zuid-duitse en romaanse tenues (vgl. bimsstein < lat. pumex). — Het on. pera stamt uit oe. pere.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

peer znw., mnl. pēre v. Ohd. bira v. (nhd. birne; de n uit het mv.) “peer” kan met ’t oog op zijn b bezwaarlijk vóór de 9. eeuw ontleend zijn: dan was pf te verwachten, vgl. pruim. Mnd. bēre v. “peer” zal wel uit ’t Hd. komen. Ten grondslag ligt lat. pirum “id.” resp. het mv. pira. Mnl. pēre, ags. përu v. “peer” (eng. pear), on. përa v. “pereboom” gaan wsch. op een rom. vorm *pera uit pira terug evenals it. pera, fr. poire “peer”. Voor den anlaut vgl. nog klok II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

peer. Niettegenstaande de ohd. b (hernieuwde invloed van het Lat.? De peer is in Zuid-Duitsland jonger dan in Engeland en het Nederrijn-gebied) zal het woord toch een oude ontl. uit de Romeinse tijd zijn. Frings Germ. Rom. 152.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

peer v., Mnl. pere, gelijk Hgd. birne, Eng. pear, Fr. poire, uit Lat. pirum (voor *pisum), van Gr. ápion (d.i. *apison).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bier, zn.: peer, gloeilamp. D. Birne, Ohd. bira, pira, Mhd. bir, bire, Mnd. bêre uit kloosterlatijn pira ‘peer’. Vgl. FN Bierbaum, Bir(en)baum, Berbaum.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

peer s.nw.
1. Sagte somervrug. 2. (hoofsaaklik in die verkleinw. peertjie) Testikel.
In bet. 1 uit Ndl. peer (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in bet. 2 by Pannevis (1880).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bier, bieër peer, gloeilamp (Kerkrade). = hgd. birne (met secundair ne) ‹ kloosterlatijns pira. Nl. peer is vroeger ontleend.
Amkreutz e.a. 59, NEW 512.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

peer (de, peren), gloeilamp en iedere andere elektrische lichtbron met een glazen buitenkant. Twee dingen schoten hem te binnen, in de eerste plaats zou hij de peer kunnen aanschroeven, pal onder de lichtbundel gaan staan () (Vianen 1972: 20). Ach ze zei lantaarnpaal, ze bedoelt vanzelf* elektrische* paal tegenwoordig met neonlicht; hiermee is ’t altijd dag voor en over haar. Soms helpen de jongens uit ’t erf* haar een beetje* door met sjinsjaart* de peer kapot te schieten (Dobru 1968a: 46). - Etym.: In AN verouderend.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

peer: vrug- en pln. (Pyrus communis), ook (d. oordr.) “testiculus”; Ndl. peer (Mnl. pere), soos Eng. pear, vroeë ontln. aan Ll. pira uit Lat. pirum, wu. It., Port. en Sp. pera, Fr. poire.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

peer (Latijn pirum)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

peer ‘vrucht’ -> Noord-Sotho piere ‘vrucht’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana pêrê ‘vrucht’ (uit Afrikaans of Engels); Xhosa pere ‘vrucht’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho pere ‘vrucht’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch pér ‘vrucht’; Javaans dialect pir ‘vrucht’; Singalees pēra ‘vrucht’ (uit Nederlands of Portugees).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

peer vrucht 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1573. Iemand een muilpeer geven,

d.w.z. iemand een slag in het gezicht geven; vroeger ook iemand muilperen, muilperizeeren (zie Ndl. Wdb. IX, 1207). In de Middeleeuwen was muilpeer in dezen zin bekend, blijkens Exc. Cron. 240 c: (Hi) greep den sot metten hare ende gaf hem oock een goede muilpeere; zie verder Kiliaen: Muyl-beere, muyl-peere, alapa; muyl-beeren t' eten gheven. Adag. pugnos ingerere; zie verder Trou m. Blycken, 211; Everaert, 45; Veelderh. Gen. Dichten, 125; Halma, 363: Muilpeer, klap voor den bek, en zeer veel andere plaatsen in de 17de en 18de eeuw. Andere dergelijke ironische benamingen zijn of waren: stocksuiker, kneppelkoek, kneukelsop, stockvisch (met boter), kapittelstokken, vuystamandele, een vuystplaester, kloppersboonen, backevisje, suyrekoock, vuystesweet, bokking, stroppeer (galg), pens (in pens eten, slaag krijgen), kropsalade (De Bo, 580), schimp-azijn, rottingolie, cnoockelpoeder, tangenbrood, mulenbier, kruidige worst, klompe krooning, ongebrande asch, ongesouten ael, schippers metworst (kabel), slagkoeken, telhout; enz. Thans zijn nog in gebruik: oorvijg, oorband (eig. een smalle doek die om het hoofd gebonden wordt, en zich verbreedt bij de ooren; men gebruikt dezen bij oorziekten); Jord. II, 121: iemand een oliekoek te likken geven; bij Schuerm. 461: iemand eene goede paté (fr. pâté) geven (Antw. Idiot. 943: iemand 'en patee om zijn ooren gevenIn Aardenburg partoet, oorveeg (Noord en Zuid II, 319).); iemand een patat (aardappel) zetten (Antw. Idiot. 942: iemand 'ne pataat om zijn ooren geven); een pees(tje) was een flensje, thans in zuidndl. een slag, klap (Ndl. Wdb. XII, 911; 904); iemand eene wafel op zijne kaak geven (vgl. Jord. 396; Joos, 90: 'nen wafel met vijf putten geven); bl. 463: iemand eenige peren om zijn ooren geven (ook bij De Bo); bl. 478: iemand eene piewante draaien of geven; bl. 480: pillen met de vuist slaan of pillen geven; bl. 817: hij kreeg een vlaaitje, - een appelplamei, - een smoutpeer, - een toppeer (Ons Volksleven IV, 33), een kneutelpeer (vgl. knoterpeer in Tijdschr. XXI, 89), grolpeer (Waasch Idiot. 268 a; 355 a); lange (of korte) haver (zweepslagen; Ndl. Wdb. VI, 148; V. Moerk. 15; Schuerm. Bijv. 115); bij Rutten, 110 a: de peerden kemp voeren; 311: iemand een pax-tecum geven; Schuerm. 684 a: stokmans haver; Joos, 107: haver uit de flesch of de mouw geven; iemand handgeld, voetgeld geven (Taal en Letteren II, 165): iemand zijn schuurwater geven, streng berispen (Waasch Idiot. 589); een zuur saus (over zijn patatten) krijgen (berispt worden; Antw. Idiot. 2179; Waasch Idiot. 770); iemand een mossel geven (Antw. Idiot. 835; iemand een sigaar geven (Eindhoven); vgl. verder nog iemand een beschuitje, een knabbelbeschuitje geven, of iemand beschuitjes voeren; fri. in ljirrebak jaen, een beschuit met rookvleesch geven, wat in Zuid-Nederland heet iemand een dreupelke schenken (Teirl. I, 366) en waarmede te vergelijken is een bakte (kniekitteling) kunnen verdragen (Teirl. I, 95Zie nog andere uitdrukkingen bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust, VIII, 22.); van de taart geven; iemand een peer geven (Claes, 181); en de uitdr. hoe smaakt je die peer, - die pruim (17de eeuw: hoe monden u die vijgen?); een streek of een veeg uit de pan geven (Winschooten, 245 en 299); iemand zijne koolkant (snede brood met kool) breiden (Tuerlinckx, 388); iemand eene botering (zie Antw. Idiot. 282), koeken (bl. 685), pale (pannekoek) geven (Loquela, 377), kerzen krijgen (Antw. Idiot. 641); stevens broot (steenen, steenigingTaal en Letteren IX, 547.), berkenstruivenTrou m. Bl. 58. geven; koek met bloem krijgen (Antw. Idiot. 1831); iemand salade geven (Volkskunde X, 18); een santekwant geven (Ndl. Wdb. XIV, 96); pruttelmous kriegen, bekeven worden (Molema, 556 a); kropsalade (verdriet; Waasch Idiot. 565; Schuerm. 301 b); iemand knoflook (Sewel), klompzak (Halma), geven; iemand een berkemot (peer) om zijne ooren geven (Antw. Idiot. 212); iemand een flens geven (Boekenoogen, 211); kneukelvet, - zeep (Waasch Idiot. 354 b) geven; Halma II, 371: muilschellen (vgl. hd. Maulschelle); fri. hy kriget rizenbrij (van berkenrijs) mei hjitte poffen of mei bret flêsk, hij wordt gegeeseld en gebrandmerkt; immen in brouwing, ribbesmoar mei pynoalje, toffelsmots (pak slaag met een pantoffel) jaen; enz. In Groningen: iemand 'n bukken zunder groat, 'n peer, 'n petoater geven (Molema, 61 b; 465 b; 533 a). In het Fransch kent men: manger des poires d'angoisse, subir de creuls traitements; eng. to get beans (een standje). Vgl. voor het hd. Maulbeere en verder Schrader, 503 vlgg.; Korrespbl. XXXIV, 9; Seiler, 172 vlgg.; zie verder Nyrop, 26-27; Van Helten, Proeven van Woordverklaring, 7, en zie no. 1234.

1791. Hoe smaakt je die peer?

d.w.z. hoe vindt ge die terechtwijzing, dat stekelig, hatelijk gezegde?, eene uitdr. die in de 16de eeuw voorkomt in de Veelderh. Gen. Ged. 6: Ick sal u wel een ander lesse leeren, Wat dunct u van die peeren (slagen), lust u van die te smaken? Daar zit hij nu met zijn gebakken (of gestoofde) perenIn het hd. noemt men ‘die Habseligkeiten, die jemand besitzt, seine sieben gebackenen Birnen’ (Weise, Aesthetik der D. Sprache, 150)., hij verkeert in een onaangenamen toestand, in verlegenheid; iemand met de gebakken peren laten zitten, hem in den steek laten, voor iets laten opdraaien; zie Harreb. II, 175; Zondagsblad van Het Volk, 1905, p. 223: Zoo wordt de zonde gewroken tot in het vierde gelid, dat dan met de gebakken peren zit; Het Volk, 25 April 1914, p. 5 k. 4: Se laate-n-ons met de gebakkene peere sitte; Nkr. V, 30 Sept. p. 6: Hij dwaalt nu langs berg en dalen ver van Kamer en van huis, Koalitie zit intusschen met gebakken peren thuis; Nest, 53: Ik mag zoo denken, wie komt daar met zijn gebakken peren; De Arbeid, 22 Juli 1914, p. 2 k. 4: Daar zitten we nu met onze gebakken peeren, wij hebben het dwangbuis aan tot Augustus 1915; Kippeveer II, 318: En nu laten ze ons met de gebakken peren zitten; Ndl. Wdb. XII, 890. Vgl. verder het vroegere een gebraden peertje (een buitenkansje, een puikje); het bij Hooft, Ged. II, 397 voorkomende: monden u de vijghen? J.v.d. Veen, Kaats-spel: Hoe smaeckt u deze kaes, of isse wat verlebt?; Antw. Weder-Botten: Wel Veen, ick peys wel half hoe dit gebraet u smaeckt; het in Boere-krakeel, bl. 210 aangetroffen: hoe smaeken jou die pruimen?; bl. 238: hoe lyken jou deuze knollen?; bl. 215: hoe smaekt je deuze Rystenbry?; Langendijk, Don Quichot, bl. 20: hoe smaektje deze koek?; Teirl. 201: hoe vende de botere? hoe smaakt de botere? hoe bevalt u de zaak? Zie ook Tijdschrift XII, 239; XX, 243 en vgl. no. 103.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal