Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

patriarch - (aartsvader)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

patriarch [aartsvader] {patriarke, patriarch 1265-1270} < latijn patriarcha < grieks patriarchès [idem], van patria [afstamming, geslacht] + -archès [leider].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

patriarg s.nw.
1. Stamvader. 2. Rang in die Katolieke en Griekse kerke. 3. Eerbiedwaardige grysaard.
Uit Ndl. patriarch (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1791 in bet. 3).
Ndl. patriarch uit Latyn patriarcha uit Grieks patriarkhès 'stamvader', met lg. van patria 'afstamming, geslag' en arkhos 'hoof, leier'.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Patriarch, stamvader; (fig.) oude en wijze man met een omvangrijke kinderschaar (zie ook aartsvader); titel van de bisschop van bepaalde patriarchaten in de Oosters-Orthodoxe kerk.
Patriarchaal, aartsvaderlijk (zie eveneens bij aartsvader); een patriarch (in de tweede betekenis) betreffend.

Patriarch is het al in de Middeleeuwen aan het Latijn of Frans ontleende woord dat in sommige oudere vertalingen voor aartsvader (zie aldaar) wordt gebruikt. Vergelijk Hebreeën 7:4, 'Geef u rekenschap van zijn grootheid: Abraham, de aartsvader, gaf hem een tiende van wat hij had buitgemaakt' (NBV), waar onder meer de Liesveldtbijbel (1526, zie hieronder) patriarch heeft. Het woord is lang gehandhaafd in de eerstgenoemde betekenis, tot in de jongste edities van de Statenvertaling. Nu is in bijbelteksten de leenvertaling aartsvader gebruikelijk, maar als naam voor de kerkelijke functie is patriarch (met afleidingen) gebleven.

Liesveldtbijbel (1526), Hebreeën 7:4. Bescouwet, hoedanich die is, dyen oock Abraham die patriarch thiende geeft vander veroeuerde buete.
Zolang er niet geborreld werd, had de patriarch [grootvader Lange] geen rust. (T. Kortooms, Mijn kinderen eten turf, 1967 (1959), p. 126)
De huidige machthebbers zijn een uitstervend ras van patriarchen. Ze staan niet bepaald aan de zonnige kant van het leven. Dat de jeugd nu afhaakt is normaal. (NRC, apr. 1994)
[Bij de Oscar-uitreiking:] Ware patriarchen, sommige sterren. Als je een prijs wint, bedank je de kinderen uit ál je huwelijken. De kinderen uit het eerste zitten meestal in de zaal, de voortbrengsels van de nieuwe vriendin liggen thuis in een wieg. (NRC, 23-3-1999, p. 21)
Geïrriteerd door de patriarchale methodes waarmee Freud zijn kudde bij elkaar trachtte te houden ging Jung meer en meer zijn eigen weg. (NRC, apr. 1994)
En dan zeilt een van de ster-spelers binnen, getooid in kant en brokaat, een blozend gezicht verscholen achter een patriarchale baard. (Meppeler Courant, aug. 1995)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

patriarch (Latijn patriarcha)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

patriarch ‘aartsvader’ -> Indonesisch patriark ‘aartsvader’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

patriarch aartsvader 1265-1270 [CG Lut.K] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal